Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
Wij wijzen u graag op het volgende
Door drukte zijn de levertijden van PostNL aangepast en kan uw pakket vertraging oplopen. Door de Brexit kan de levering van Engelse boeken vertraging oplopen.
Ons feilbare denken herzien IV column
9 oktober 2018 | Ger Post

 Met replicatiecrises in de sociale wetenschappen – en met name de psychologie – is een terugkerende vraag: in hoeverre staat het standaardwerk Ons feilbare denken van Daniel Kahneman nog overeind? Kan het boek dat Fifty shades of grey van de toppositie in de bestsellerlijsten verdrong inmiddels naar De Slegte? Een update in vier columns. Na verliesaversie, sociaal primen en momentum nu het slotakkoord: systeem 1 en 2 denken

 

Systeem 1 en 2 denken

‘We moeten aanvaarden dat de menselijke geest niet netjes in twee complementaire systemen verdeeld kan worden,’ aldus Steven Sweldens eerder dit jaar tijdens zijn inauguratie aan de Erasmus Universiteit. Veertien jaar onderzoek naar consumentengedrag en marketing naar systeem 1 en systeem 2-denken heeft volgens de nieuwbakken professor nooit tot bewijs geleid dat mentale processen duidelijk zouden behoren tot een van de twee systemen.

En daarmee gaat Sweldens in tegen het idee van Kahneman dat ons mentale leven verdeeld kan worden in Thinking fast and slow (zoals de Engelse titel van Ons feilbare denken luidt). Het snelle Systeem 1 opereert automatisch, met weinig of geen mentale moeite en zonder vrijwillige controle. Systeem 1 bestuurt de auto op een lege weg of pikt de boze toon op in een uitgesproken zin.

Het langzamere Systeem 2 stuurt de aandacht naar de moeizame mentale activiteiten, zoals bij het doen van ingewikkelde berekeningen. De activiteiten van dit systeem worden vaak in verband gebracht met de subjectieve ervaring van het maken van keuzes en concentratie. Wanneer je in een menigte zoekt naar iemand met wit haar of je belastingformulieren invult, is systeem 2 actief.

Al voordat Kahneman de systemen in zijn bestseller beschreef, inspireerden ze economen, psychologen en neurowetenschappers tot het doen van uiteenlopende experimenten, waaronder die naar sociaal primen en verliesaversie. Dankzij Ons feilbare denken nestelde het idee zich diep in populaire gedachtes over marketing, management en psychologie.

Maar volgens Sweldens zijn er geen scherpe lijnen te trekken tussen het automatische, onbewuste (systeem 1) en het gecontroleerde, bewuste (systeem 2). Hij komt met het volgende voorbeeld: ‘Ik denk dat de reclame-effecten waarvan je je het meest bewust bent ook de effecten kunnen zijn die het moeilijkste te controleren zijn. Ik kan me sommige jingles van wasmiddelreclames uit mijn jeugd nog levendig herinneren – en zodra ik aan ze gedacht heb, krijg ik ze onmogelijk uit mijn hoofd.’

Volgens Sweldens lopen de systemen veel meer door elkaar heen. Is dit uniek voor het vakgebied van marketing?

Bepaald niet. Hoewel neurowetenschappen in de beschrijvingen van het onderzoek wellicht beloven dat systeem 2-denken ‘het pariëtale systeem activeert’, weet iedere hersenonderzoeker dat dit niet suggereert dat de pariëtale kwab geen enkele activatie zou vertonen als iemand onbewust denkt (systeem 1). Het brein is altijd actief, wat in fMRI-onderzoeken wordt gevonden is dat een hersendeel iets actiever raakt tijdens het uitvoeren van een bepaalde taak.

Een hersendeel gaat dus niet aan wanneer iemand op de automatische piloot over de snelweg rijdt, noch floept de prefrontale cortex online wanneer iemand een moeilijke berekening uitvoert. Die hersendelen worden hooguit actiever, hetgeen betekent dat ze ook bij andere cognities betrokken zijn.

Volgens Sweldens laat Kahneman die nuances achterwege, omdat die de lezer niet aanspreken. ‘Misschien is het iets minder opwindend en inspirerend als we onze mentale wereld niet meer kunnen opdelen in twee overzichtelijke categorieën. Boektitels zouden eraan onderdoor kunnen gaan, omdat van Thinking fast, slow, or a bit of both niet zoveel exemplaren zouden worden verkocht als zijn illustere, dichotome tegenhanger.’

Het probleem van dit statement is dat Kahneman juist uitvoerig de nuances beschrijft van het opdelen van cognities in systemen (wat in bijna alle andere managementboeken achterwege blijft). Aan het begin van het boek benadrukt hij dat systeem 1 en 2 begrepen moeten worden als metafoor. ‘Systemen 1 en 2 zijn geen standaardsystemen met interacterende aspecten of delen. En er is geen deel van het brein waarin een van de twee systemen huizen.’

‘Je kunt je afvragen: wat is het doel van twee fictieve karakters met lelijke namen introduceren in een serieus boek? Het antwoord is dat de karakters handig zijn voor sommige eigenaardigheden van jouw en mijn geest. [...] De geest – vooral Systeem 1 – heeft een speciale aanleg voor het construeren en interpreteren van verhalen over actieve agents, die persoonlijkheden, gewoontes en vaardigheden hebben.’

Dat sommige collega’s met dit verhaal aan de haal zijn gegaan, valt Kahneman niet aan te rekenen. Maar met kritiek op collega’s met wat minder statuur had Sweldens niet zoveel aandacht getrokken als met zijn aanval op de illustere Nobelprijswinnaar.

Uniek duo veranderde met psychologisch onderzoek de economie nieuws
29 mei 2017 | Bertrand Weegenaar

De meeste mensen kennen het werk van Daniel Kahneman. Zijn Nobelprijs voor de Economie in 2002 en zijn monumentale werk over ons brein uit 2011, Thinking, Fast and Slow (vertaald als Ons feilbare denken) laten zijn theorieën en onderzoek op het snijvlak van economie en psychologie goed zien. Toch staat het meeste baanbrekende werk van Kahneman op naam van hem en Amos Tversky. Over deze vriendschap en creatieve samenwerking schreef Michael Lewis de dubbelbiografie The Undoing Project - A Friendship That Changed Our Minds.

Lewis beschrijft de indringende werkrelatie tussen twee Israëlische psychologen die aan de wieg hebben gestaan van wat nu de gedragseconomie heet. Theorieën over de inschattingen van kans en risico’s, onze aversie tegen verliezen, strategieën van besluitvorming en keuzes, of de invloed van framing op onze risicoperceptie kregen vanaf de jaren ’80 invloed op het economisch denken. Honderden jaren oude geaccepteerde gedachten werden onderuitgehaald.

Werken en oorlog voeren
Kahneman en Tversky overleefden als jonge mannen de Tweede Wereldoorlog en trokken met hun familie naar Judea. Ze zouden daar jaren wonen en werken maar trokken allebei uiteindelijk naar Amerika. Kahneman nodigde in 1966 de snel rijzende ster van Tversky uit om samen onderzoek te doen. Ruim 15 jaar zouden ze afwisselend in Israël en Amerika samenwerken. Ook als er duizenden kilometers afstand was werden er via brieven, weekenden samen en veel telefoongesprekken onderzoeken uitgezet en theorieën getoetst. Ze vochten beiden in Jom Kipoeroorlog van 1973 om direct daarna in 1974 in het blad Science het baanbrekende artikel ‘Besluitvorming in onzekerheid: heuristiek en biases’ te publiceren.

Lewis laat in het boek de boeiende samenwerking tussen twee grote onderzoekers zien. Ze vulden elkaar aan. De gedegenheid van creatieve Kahneman en het opportunisme en de bravoure van snelle denker Tversky. In het licht van de ontwikkeling van de psychologie professie en de invloed daarvan op ons dagelijks leven, maar ook de onderzoek en onderwijs in Israël waar beiden een rol in hebben gespeeld.

De laatste samenwerking
Begin jaren ’80 bekoelde de vriendschap en stokte de werkrelatie. Tversky begon met de eer te strijken. Hij kreeg een prestigieuze baan aan Stanford, ontving de grote prijzen, en lucratieve adviesopdrachten. De meer timide Kahneman nam een betrekking aan bij Princeton waar hij nog steeds onderzoek verricht. Tversky overleed in 1996 aan de gevolgen van kanker. Kahneman verbreedde zijn werk en ging andere samenwerkingen aan dat resulteerde in zijn magnum opus. De Nobelprijs wordt nooit postuum uitgereikt wat Kahneman eenzaam op het podium zal hebben doen staan.

De publicatiebias van Kahneman column
9 maart 2017 | Ger Post

Juist in het jaar dat Daniel Kahneman met Thinking, Fast and Slow een monument schreef voor de sociale psychologie, kwam het veld in een crisis terecht. Ook het boek van Kahneman bleef niet gespaard. ‘Het was simpelweg een fout: ik wist alles wat ik moest weten om mijn enthousiasme te temperen.’

Daniel Kahneman had al eens een heel veld overhoop weten te halen. Met zijn werk had hij economen ervan weten te overtuigen te kijken naar wat mensen daadwerkelijk doen, in plaats van ervan uit te gaan dat ze rationele wezens zijn. Daarvoor kreeg hij in 2002 de Nobelprijs van de economie.

In 2011 zette hij de boekenwereld op zijn kop. Met zijn boek Thinking, Fast and Slow (Ons feilbare denken) waarin hij de balans opmaakte van de belangrijkste bevindingen in de sociale psychologie, stak hij zelfs even Fifty Shades of Grey naar de kroon in de bestsellerlijsten.

Maar datzelfde jaar dreigde ook de sociale psychologie blijvend te veranderen. Niet dankzij het werk van Kahneman – hoewel zijn ideeën over systeem 1 en systeem 2-denken nauwelijks nog zijn weg te denken – maar door het frauduleuze handelen van zijn collega’s. Alleen al door de praktijken van Diederik Stapel werden meer dan vijftig artikelen teruggetrokken, waarna er ook vraagtekens werden gezet bij andere opvallende vondsten in de sociale psychologie.

Replicatie werd belangrijk: in hoeverre konden bevindingen in onderzoeken worden gerepliceerd? In 2012 publiceerden onderzoekers een studie waaruit bleek dat de resultaten van een beroemd onderzoek naar social priming van John Bargh, waarbij mensen langzamer liepen nadat ze onbewust waren blootgesteld aan het stereotype van ouderdom, niet gerepliceerd werden.

Het onderzoek van Bargh was een van de experimenten die Kahneman aanhaalde om te onderbouwen dat iemands gedrag onbewust geprimed kan worden. Zo schreef hij in Thinking, Fast and Slow: ‘De resultaten zijn niet verzonnen, nog zijn het statistische toevalligheden. Je hebt geen andere keus dan te accepteren dat de belangrijke conclusies van deze studies waar zijn.’

Kahneman voorzag een ‘looming trainwreck’: de twijfel over de betrouwbaarheid van de resultaten naar social priming zou wel eens grote gevolgen kunnen hebben voor de toch al niet zo’n goede reputatie van de (sociale) psychologie. In een open email aan onderzoekers naar social priming schreef hij dat het onderzoek naar social priming nu ‘the poster child’ was geworden voor twijfels over de integriteit van psychologisch onderzoek. De manier waarop gereageerd zou worden door zijn collega’s zou niet alleen grote gevolgen hebben voor hun onderzoek en reputatie, maar dat van alle sociale psychologen.

Kahneman raadde replicatiestudies aan die de geloofwaardigheid garandeerde voor collega’s buiten het veld. ‘Succes (zeg maar een replicatie van vier van de vijf positive priming resultaten) zou het veld onmiddellijk rehabiliteren,’ schreef Kahneman. ‘Ambigue resultaten zouden natuurlijk pijnlijk zijn, maar ze zouden nog steeds de reputaties beschermen van de wetenschappers die oprecht geloven in hun werk – zelfs als ze soms fout zitten.’

Vijf jaar na de email van Kahneman is het bewijs voor social priming niet gerehabiliteerd. Integendeel, in zeventien replicaties van een klassieke studie naar de facial feedback hypothesis, een vorm van social priming waarbij proefpersonen die hun mond onbewust in een glimlach hielden (door een pen tussen hun tanden te houden) een cartoon grappiger vonden dan wanneer ze onbewust een glimlach onderdrukten (door een pen tussen hun lippen te houden), vond geen verband tussen hoe grappig iemand een cartoon vond en hoe die persoon zijn of haar mond hield. Eric-Jan Wagenmakers, die de replicatiestudie leidde, vertelde over het klassieke onderzoek dat ten grondslag ligt aan social priming: ‘Het lijkt erop dat ze gewoon de experimenten hebben gedaan en daarna de krenten uit de pap hebben gehaald: kijk, een effect!’

De krenten uit de pap halen is wat in wetenschappelijke kringen publicatiebias wordt genoemd. De beslissing om een onderzoek te publiceren op basis van het resultaat – bijvoorbeeld omdat het een theorie bevestigt, terwijl resultaten die een theorie tegenspreken het wetenschappelijke tijdschrift niet halen – zorgt voor een vertekend beeld van een fenomeen als social priming. En dit kan ertoe leiden dat een van de meest gelauwerde wetenschappers er naast zit.

Psychologen achter de website Replicability Index hielden alle studies tegen het licht die Kahneman aanhaalt in zijn hoofdstuk over social priming. Zij stellen dat de lezers sceptisch moeten zijn over de gerapporteerde resultaten en dat ze de opmerking van Kahneman dat ‘je geen keuze hebt dan te accepteren dat de belangrijkste conclusies van deze studies waar zijn’, moeten negeren. ‘Onze analyse leidt tot de tegenovergestelde conclusie. “Je zou geen van de conclusies van deze studies voor waar moeten aannemen.”’

Juist Kahneman had volgens de psychologen alert moeten zijn, omdat hij eerder een paper schreef over onderzoekers die te veel vertrouwden op de resultaten van experimenten bij een onredelijk klein aantal proefpersonen. Deze zogeheten underpowered studies moeten eens in de zoveel tijd een niet-significant resultaat laten zien, ook als de onderzoekshypothese correct is, omdat deze studies niet krachtig genoeg zijn om altijd het effect te detecteren. Maar die niet-significante resultaten ontbreken in de literatuur over social priming, hetgeen op een publicatiebias duidt.

In een commentaar op de bevindingen van de psychologen, gaf Daniel Kahneman zijn fout ruiterlijk toe. ‘Het is duidelijk dat het experimentele bewijs voor de ideeën die ik presenteerde in het hoofdstuk significant zwakker is dan ik geloofde toen ik het schreef. Het was simpelweg een fout: ik wist alles wat ik moest weten om mijn enthousiasme te temperen voor de verrassende en elegante bevindingen die ik citeerde, maar ik heb er niet goed genoeg over nagedacht.’

De auteur schrijft nog steeds te geloven dat gedrag geprimed kan worden, zelfs bij stimuli waarvan de persoon onbewust is. Er is voldoende bewijs dat gedachten onbewust getriggerd kunnen worden, schrijft Kahneman. ‘Ik zie geen reden om een scherpe lijn te trekken tussen het primen van gedachten en het primen van gedrag. Met dit indirecte bewijs kan priming [van gedrag] worden onderbouwd. Maar mijn ideeën over de grootte van de effecten van priming op gedrag zijn veranderd – ze kunnen niet zo groot en robuust zijn als ik in mijn hoofdstuk suggereer.’

Cultuurdragers column
3 juni 2013 | Pierre Pieterse

Zijn leiders van belang? Doen ze ertoe? Of zijn het willekeurige passanten die toevallig maar wel gemandateerd op de rode knop mogen drukken? De knop die formeel in gang zet wat door de heersende cultuur al lang is bepaald of afgedwongen. Vermoedelijk denkt iedereen dat het de leider is die glans geeft aan de cultuur, net zoals iedereen diep in zijn hart weet dat het de cultuur is die dient als schild voor de leider.

De leider dus als vleesgeworden cultuur, een soort afgeleide van wat Daniel Kahneman ‘affectheuristiek’ noemt in prachtige boek Thinking, fast and slow (Ons feilbare denken): beoordelen op basis van subjectieve kenmerken, voorkeuren, overtuigingen of zelfs aversies.

Wie zich een beetje verdiept in de geschiedenis van landen maar ook bedrijven weet dat leiders geen cultuur maken. Integendeel zelfs, het is altijd de cultuur die leiders maakt. Waarbij cultuur een amalgaam is van geaccumuleerde waarden en normen. De onderstroom die wordt gerepresenteerd in het doen en laten van mensen. Oorlog & Vrede van Tolstoj is een vuistdikke illustratie van deze marginaliteit van leiders. Niet Napoleon of Kutuzov, toch geen onbeduidende hoofdrolspelers, bepalen de geschiedenis maar de loop der dingen.

Leiders zijn niet meer dan de bakens der geschiedenis, de piketpaaltjes van de operationele grenzen. De leider mag dan misschien de koers uitzetten, het is de cultuur die de koers bepaalt. Niet verbazingwekkend allemaal, want de leider die een cultuur verandert moet nog worden geboren. Wat in goed jargon ‘cultuuromslag’ heet, is in werkelijkheid niet meer dan een bevestiging van een proces dat op zijn einde loopt: marktomstandigheden dwingen een bedrijf de koers te verleggen, de leider materialiseert die dwang door actie te ondernemen, en de bedrijfscultuur helpt het toeval een handje bij de uitkomst.

Regressie en het zogenaamde ‘halo effect’ zijn twee gangbare benamingen voor dat toeval. Twee verschijnselen die verklaren waarom de leider er weinig toe doet. Regressie is de wiskundige (statistische) onderbouwing van de slingerbeweging. ‘What goes up must go down!’ Kijk naar Apple. Toen Steve Jobs werd gevraagd ‘zijn’ noodlijdende bedrijf weer te leiden, herrees het bijna bij aankomst uit de as. Ziedaar het bewijs van de helende werking van de visionaire leider riep iedereen in koor maar de waarheid is dat het gewoon niet slechter kon, wel beter. En nu is er Tim Cook die ‘zijn’ bedrijf ziet afglijden. Ziedaar het bewijs van weifelend leiderschap roept iedereen in koor, maar de waarheid is dat het gewoon niet beter kan, wel slechter.

Een beetje in de schaduw van regressie ligt het ‘halo effect’ waarbij niet kwantificeerbare zaken achteraf een enorme invloed op het eindresultaat wordt toegedicht (zo prachtig uitgelegd door Phil Rosenzweig in zijn kostbare kleinood The halo effect). Google is hier het voorbeeld: de literatuur suggereert dat de weg die de aartsvaders van Google hebben bewandeld een garantie voor succes is omdat Google zo’n succes is geworden. De waarheid is dat ze gewoon geluk hebben gehad, anders waren er veel meer succesverhalen als Google. Net als aan de magische route van Google wordt ook aan leiderschap een beslissende rol toegedicht. Achteraf! Op basis van de uitkomst, van het eindresultaat, trekt men conclusies die de effecten van dat leiderschap moeten schragen. Als het goed gaat, is de leider visionair, doortastend en bedreven, gaat het slecht, dan is diezelfde leider star, zelfgenoegzaam en arrogant.

Drie procent, dat is het percentage dat aantoonbaar aan leiderschap kan worden toegeschreven. Niet veel als het goed gaat, en gelukkig ook niet veel als het slecht gaat.

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden