Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
Communisme, Kapitalisme, Kannibalisme achtergrond
2 oktober 2008 | Steven de Jong

Kapitalisme heeft het communisme overwonnen. De vrije markt kon het zonder sturende staat. Maar net als de ijsberen op de Noordpool heeft elk model een natuurlijke vijand nodig. Anders vreet het zichzelf op.

‘It's the economy stupid.’ Met deze slogan die eigenlijk helemaal niet voor de campagne bedoeld was, zou Bill Clinton in 1991 George Bush sr. uit het zadel hebben gewipt. Wat toen grappig klonk, is nu bittere ernst. Zo ernstig dat de huidige presidentskandidaten Barack Obama en John McCain samen een verklaring op wilden stellen en laatstgenoemde even overwoog om de campagne stil te leggen.

De laatste peilingen laten zien dat de Republikeinen lijden onder de financiële crisis en de Democraten er garen bij spinnen. De kredietcrisis waarin de ene na de andere bank omvalt of gered wordt met overheidssteun, zou volgens Obama het gevolg zijn van de ‘Republikeinse filosofie’ over het kapitalisme. ‘Casino Capitalism!’, klinkt het hier en daar. Een uit de hand gelopen spelletje van witte boorden dat nu de Joe Sixpack raakt.

Met de overname van zakenbank Merrill Lynch door Bank of America wordt bijvoorbeeld spaargeld van consumenten op het spel gezet. De uitstaande risicovolle beleggingen krijgt BofA er namelijk gratis bij. Of neem de miljardeninjecties van westerse overheden, ook die van de Nederlandse om Fortis te redden. De crisis in de financiële sector begint steeds meer de Echte economie te raken. Die van de consumptieve kredieten, creditcardschulden en hypotheken. Sommigen wanen zelfs het geld op hun spaar- en lopende rekening niet veilig, zo bleek toen De Telegraaf een oude man bij een Fortis-pinautomaat ondervroeg. Hij pint nu iedere dag 250 euro. ‘De rest van mijn geld, mijn oudedagsvoorziening, staat vast. Daar kan ik helaas niet bij’, tekende de verslaggever op. Hier kun je om lachen, wat we dan ook doen, maar het consumentenvertrouwen is nog steeds heilig voor het Centraal Bureau voor de Statistiek. En als Jan met de Pet de economie niet vertrouwt, kan Piet Patat zijn tent op de hoek wel sluiten.

Niemand, behalve Marianne Thieme die in haar eigen tuin boontjes verbouwt, staat te juichen bij deze crisis. Wel zien sommigen de positieve kanten. Wouter Bos bijvoorbeeld, onze minister van Financiën, die in deze roerige tijden een koopkrachthandhavende begroting wist te presenteren. Daags na Prinsjesdag schreef hij op de opiniepagina van NRC Handelsblad het volgende: ‘De kredietcrisis mag dan het gevolg zijn van de globalisering, zij wijst het neoliberale ordeningsmodel eerder op haar tekortkomingen dan op haar veronderstelde superioriteit.’

Minder diplomatiek is Arnold Heertje, de econoom die geen aankondiging behoeft. Aan de vooravond van Prinsjesdag woonde ik een lezing van hem bij in Den Haag. ‘De kredietcrisis is een godsgeschenk’, aldus de emeritus hoogleraar. ‘Ik doe niet mee met het pessimisme.’ Volgens Heertje, auteur van het boek Echte economie (uit 2006), toont de crisis op Wall Street aan dat het systeem zichzelf corrigeert. Net als Bos denkt hij dat de scherpe kantjes van het superkapitalisme nu afgestompt worden door andere waarden. ‘Het kon niet zo doorgaan. Het was een ongebreidelde ontwikkeling. Men nam risico's die men niet meer kon overzien. Dat daar een einde aan is gekomen is een buitengewoon positieve ontwikkeling. Afremmen van die economische groei kan mij niet ver genoeg gaan.’ En over het consumentenvertrouwen zegt hij: ‘Geweldig dat het weer daalt. We zeggen toch altijd dat we minder moeten consumeren en meer moeten sparen? Dat gebeurt nu.’ Wat hem betreft had Bos niet zo'n betonnen begroting hoeven te presenteren. ‘Hij wil de koopkracht handhaven. Voor mij was dat niet nodig geweest. Alleen al omdat we dan minder in de file zullen staan.’

'Echte economie' gaat volgens Heertje om het spanningsveld tussen schaarste en welvaart. Zelfs over geluk. Het omvat dus veel meer dan wat er in de financiële sfeer gebeurt. ‘Nu veel meer nog dan vijf of tien jaar geleden. We moeten zorgvuldiger omgaan met natuur, de leefbaarheid, het behoud van het bestaan. De echte vraagstukken gaan over water, klimaatbeheersing en duurzaamheid.’

Na een vlammend betoog, ontvouwt hij zijn theorie over de zogenaamde 'reproductie-economie'. ‘Onder welke voorwaarden kunnen we de economische ontwikkeling die we kennen, reproduceren?’ Hiermee doelt Heertje onder meer op het opraken van fossiele brandstoffen en het slechter worden van de luchtkwaliteit. ‘Echte economie gaat over meer dan financiële transacties. Het gaat in hoge mate om de kwaliteit van het bestaan. Frisse lucht, behoud van natuur en leefomgeving. Dat is in toenemende mate van belang. Wat we nu doen is beslag leggen op beperkte middelen. We kijken uitsluitend naar de financiële effecten. Onze aandacht moet uitgaan naar leefbaarheidsvraagstukken.’

Uiteindelijk komt het hoge woord eruit. Heertje wil dat we denken in ‘Bruto Nationaal Geluk’. De kwaliteit van het bestaan, nu en straks. Over de zin van het bestaan. ‘Dat zijn allemaal onderdelen van de economie.’ De bureaucratie in de gezondheidszorg is hem een doorn in het oog. ‘Managers zitten met stopwatches naast de verpleegster. Zij die een halve minuut te lang bezig is, wordt ontslagen als ze dat nog een keer doet.’ Al die regeltjes, dat meten om te weten, wordt volgens Heertje alleen maar in stand gehouden om er ‘machtsposities aan te ontlenen’.

Kritiek uit de zaal blijft de man die ‘niets op gezag aanneemt’ bespaard. Wel vraagt een jongedame voorzichtig, na hem eerst een compliment te hebben gegeven, hoe hij die zachte waarden dan wil meten. Heertje ontploft: ‘Je kunt niet alles meten!’

Dit soort betogen zullen we de komende tijd nog vaak horen. Zeker uit de mond van Barack Obama, al zal het iets zweveriger zijn. Nu het communisme is overwonnen, strijden twee soorten kapitalisten tegen elkaar. Zij die denken in vermogen (het aandachtspunt van de ‘boards’) tegen zij die denken in inkomen (werknemers, vertegenwoordigd door vakbonden).

Volgens Rienk Goodijk, auteur van Herwaardering van de Rijnlandse principes, gaat het in wezen om de vraag van wie een onderneming eigenlijk is. ‘Het formele eigenaarschap van een onderneming ligt weliswaar bij de aandeelhouders’, schrijft hij, ‘maar de onderneming als samenwerkingsverband is van degenen die zich duurzaam met de onderneming hebben verbonden.’ Daarmee doelt hij vooral op de loyale werknemers, de verschaffers van duurzaam kapitaal en duurzame diensten. ‘Het eigenaarschap wordt hier bepaald door loyaliteit en duurzame betrokkenheid.’

Daar hoort volgens Goodijk ook medezeggenschap bij. Een contrast met het beeld van de werknemers die met kartonnen dozen hun bank van de ene op de andere dag moesten verlaten. Zij leefden, althans hun bestuurders, in een wereld met Angelsaksische waarden. Of zoals Goodijk het verwoordt: ‘Met een sterk instrumentele oriëntatie op de vrije markt, aandeelhouderswaarde, human capital, control en verantwoording.’ Waarden die met de westenwind al lang neergedaald zijn op Europese bodem. Ook in Nederland. ‘Er worden alsmaar kortere termijn bedrijfsresultaten verwacht’, schrijft Goodijk. ‘De arbeidsverhoudingen verzakelijken, de juridisering neemt toe.’ Het is waar Barack Obama voor waarschuwde in zijn boek ‘The Audacity of Hope’ voor waarschuwde: ‘Dit land heeft meer vakmensen nodig en minder advocaten.’

Goodijk, hoogleraar Corporate Governance, schreef zijn boek ten tijde van de crisis bij ABN AMRO. De bank die door een investeringsfonds gedwongen werd op te splitsen, wat ook gebeurde, en nu - begin oktober - weer in de uitverkoop is. Toch laat Goodijk zich niet kennen als een koppige profeet van het Noord-West/Europese, Rijnlandse model. We moeten ook de positieve kanten van het Angelsaksische model, zelfs na ‘Zwarte maandag’, blijven erkennen. ‘De praktijk wijst uit dat het aandeelhoudersactivisme hier en daar ook kan resulteren in effectievere aansturing, het doorbreken van verstarde verhoudingen en een betere verantwoording.’

Fijntjes wijst hij erop dat de opinies over een Rijnlands stokpaardje van eigen makelij ook aan conjunctuur onderhevig zijn. ‘Zo werd het Nederlandse "poldermodel" op het ene moment (tijdens economische voorspoed) beschouwd en besproken als het "Dutch miracle" en op het andere moment (tijdens stagnatie) juist als de "Dutch disease", terwijl het model op zichzelf in die tussentijd niet fundamenteel wijzigde.’

Maar ondertussen staan de presidentsverkiezingen wel in het teken van de economie, met name de financiële sector. Het zal de aandacht naar de ‘clash of cultures’ doen verslappen, zo ook de noodzaak om democratieën te vestigen. Peter van Lieshout, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, beet zondag in Buitenhof alvast de spits af. Volgens hem hoeft een land niet per se democratisch te zijn om vooruitgang te boeken. ‘Strakke regimes zijn niet per se slecht zijn voor de economie.’ Als voorbeeld gaf hij de Socialistische Republiek Vietnam die in grote mate wordt geregeerd door één partij.

Een ander interessant geluid kwam deze week van Evelien Tonkens, hoogleraar Actief Burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam. In de Volkskrant voorspelde zij dat de miljardeninjectie van belastinggeld in Amerikaanse banken het einde van het neoliberalisme inluiden en het eerherstel van de overheid. ‘Wie nu een loopbaan moet kiezen, kan het beste ambtenaar worden.’

Het is te hopen dat we niet van het ene exces (het ‘casino capitalism’) in het andere exces (het communisme) vervallen. Wel laat de kredietcrisis zien dat het uitschakelen van natuurlijke vijanden, waartoe het communisme gerekend mag worden, ook zijn keerzijde heeft. Een kudde ijsberen wier leefgebied drastisch krimpt, heeft vorige week laten zien wat er dan gebeurt. Bij gebrek aan visjes vraten ze elkaar op. De overtreffende trap van kapitalisme is dus kannibalisme.


Rienk Goodijk: ‘Stakeholders verdienen weer meer aandacht’ interview
9 september 2008 | Hans van der Klis

Met zijn boek Herwaardering van de Rijnlandse principes wil Rienk Goodijk, hoogleraar Corporate Governance en Interne Arbeidsverhoudingen aan de Rijskuniversiteit Groningen en senior consultant bij GITP International, een nieuw debat openen over de inrichting van het bestuur van ondernemingen. ‘Nergens wordt een serieus debat gevoerd over het belang van de stakeholderbenadering, en het one-tier-boardmodel lijkt gaandeweg zaligmakend.’

Wat is er zo gevaarlijk aan de eenzijdige Angelsaksische benadering?

Ten eerste: de toenemende onzekerheid en de instabiliteit van ondernemingen. Op dit moment weten bijvoorbeeld bestuurders niet hoe zij moeten reageren op activistische shareholders. We hebben de laatste jaren genoeg voorbeelden gezien: Stork, waar het bestuur de langetermijnbelangen wilde verdedigen tegen de aandeelhouders die het bedrijf wilden opknippen om op korte termijn meer waarde te creëren, DSM, waar het management een bonus wilde uitbetalen aan aandeelhouders die het aandeel meer dan drie jaar in hun bezit hielden maar werd teruggefloten door de rechter, Fortis, waar onrust ontstond na de overname van ABN Amro. Maar er zijn meer gevaren. Denk aan de maatschappelijke onrust over de excessieve beloningen van topmanagers, mede veroorzaakt door de toenemende invloed van Angelsaksische bestuurders en beleggers in onze boards. Een andere tendens is de verzakelijking van de arbeidsverhoudingen, of de veranderende leiderschapscultuur met meer nadruk op de top-down benadering. Verder neemt de juridisering toe. Als gevolg van bijvoorbeeld de Sarbanes Oxley Act in de Verenigde Staten worden ook Nederlandse bedrijven steeds meer gedwongen zaken uiterst gedetailleerd te regelen. Ook het overlegmodel dat wij kennen staat op allerlei manieren onder druk. Er vinden allerlei veranderingen plaats waarop Europa en ook Nederland nog geen afdoende antwoord hebben. We moeten opnieuw zoeken naar de inrichting van evenwichtig ondernemingsbestuur.

Hoe kan het dat het Angelsaksische model ook bij ons zo gemakkelijk voet aan de grond heeft gekregen?

De neiging om aandeelhouders meer invloed te geven is in eerste instantie ontstaan door de governance-problemen in de Angelsaksische landen zelf. Allereerst door schandalen als bij Enron en Worldcom is het activisme in aandeelhouderskringen gegroeid. Maar ook in Europa en Nederland kregen we te maken met ondeugdelijk ondernemingsbestuur, zoals bij Ahold, Parmalat of Volkswagen. In Nederland hadden aandeelhouders van oudsher weinig invloed. Wat dat betreft is het begrijpelijk dat de positie en invloed van aandeelhouders op ondernemingsniveau enigszins zijn versterkt, door governance-codes maar ook door een wijziging van de Structuurregeling in 2004. Bovendien speelt mee dat in ondernemerskringen velen van mening zijn dat het Angelsaksische model effectiever is. Maar de balans dreigt nu door te slaan en het ‘evenwicht’ raakt zoek.

Wat heeft de Angelsaksische benadering ons opgeleverd?

Op zichzelf is het goed dat de positie van de aandeelhouders is versterkt en dat zij meer betrokken worden bij het ondernemingsbestuur. Maar in Europa zijn wij gewend veel meer in termen van evenwicht te denken. In de huidige situatie krijgen de stakeholders, bijvoorbeeld de werknemers, minder en minder ruimte. Normaal gesproken zijn ondernemers wel gevoelig voor stakeholders, maar zij staan nu vaak enorm onder druk van de shareholders. Het financiële kortetermijnbelang van beleggers dreigt het steeds meer te winnen van het langetermijnperspectief van de onderneming. Terwijl bestuurders en toezichthouders in ons model toch in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor het belang van de onderneming zelf. Hetzelfde geldt voor het bestuursmodel. Steeds meer wordt het one-tier-board als enig zaligmakend model beschouwd. Een aantal ondernemingen is al op dit model overgestapt en het kabinet zal de mogelijkheden daartoe binnenkort vergroten, maar eigenlijk is nergens nog een serieus debat gevoerd over de voor- en nadelen van het one-tier-systeem in de verschillende landen. Het two-tier model zou, met het oog op evenwichtig ondernemingsbestuur, wel eens beter kunnen passen bij de Nederlandse arbeidsverhoudingen en consensuscultuur.

Wat moet volgens u ondernomen worden om het evenwicht te herstellen?

Bij het realiseren van ‘good governance’, evenwichtig ondernemingsbestuur, kan veel geleerd worden van Angelsaksische principes. Maar ook de meer Rijnlandse principes zijn niet uit de tijd en kunnen in vernieuwde vorm perspectief bieden. Het bestuur dient zich beter te verantwoorden, tegenover de shareholders en tegenover de stakeholders. Er kan wat dat betreft nog veel geleerd en ondernomen worden op het gebied van stakeholder-management, schrijf ik in mijn boek. Soms wordt te snel gekozen voor de invoering van Angelsaksische principes. Mijn stelling is dat de wijziging van de Structuurregeling in 2004, waarbij aan aandeelhouders veel meer invloed is gegeven, niet goed doordacht is en onvoldoende aansluit bij onze Nederlandse opvattingen over evenwichtig ondernemingsbestuur. Vervolgens moet de Ondernemingskamer het ‘vacuüm’ opvullen en iets van het evenwicht proberen te herstellen. Ook kunnen de onafhankelijkheid en effectiviteit van het toezicht beter. In ieder geval moet het ‘old boys network' verder doorbroken worden. Daarnaast is het verstandig om oude overlegmodellen niet met het badwater weg te spoelen, maar de waarde ervan, in vernieuwde vormen, opnieuw te ontdekken. Overleg en participatie kunnen in de bedrijven opnieuw hun waarde gaan bewijzen, mits ze zich weten te vernieuwen. Een Ondernemingsraad zou veel effectiever kunnen opereren als de werkwijze gebaseerd wordt op moderne principes, zoals een projectmatige aanpak. Dat spreekt ook jongere mensen veel meer aan. Die beweging is al in gang gezet, zo zien wij bij bedrijven. Zelf ben ik betrokken bij initiatieven bij bijvoorbeeld Philips Electronics, Ahold of ABN Amro. Een ander verschil is dat Europa, en ook Nederland, bij de vernieuwingen in governance in eerste instantie liever kiest voor zelfregulering via codes en maatwerkoplossingen dan via gedetailleerde wetgeving zoals Amerika. Pas als codes niet blijken te werken, wordt wetgeving overwogen. Deze eigen decentrale verantwoordelijkheid sluit goed aan bij de oorspronkelijk Rijnlandse benadering.

In uw boek beschrijft u de onderneming nadrukkelijk als een samenwerkingsverband. U hecht veel waarde aan stakeholdermanagement, participatief leiderschap en overleg, en u acht deze elementen profijtelijk voor ondernemingen. Kunt u dat toelichten?

Ik denk dat het van belang is opnieuw na te denken over de betekenis van deze aspecten voor het goed functioneren van de onderneming. Een onderneming die zich weet te manifesteren als samenwerkingsverband, kan profiteren van de inbreng en loyaliteit van medewerkers en de stabiliteit in de verhoudingen. Samenwerking en overleg, mits goed en effectief georganiseerd, kunnen leiden tot waardecreatie en engagement op langere termijn. Daarbij gaat het wel om het zoeken naar nieuwe eigentijdse vormen van ‘verbinding’. In verschillende bedrijven zien we nieuwe vormen van participatie van onderop ontstaan. Dat is een goede ontwikkeling, lijkt me. Van traditionele overlegvormen zoals de CAO of de OR wordt daarbij gevraagd meer ruimte te bieden voor decentrale maatwerkinvulling. Goede leiders weten die inbreng op z’n waarde te schatten.


Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden