Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
Jeroen Busscher: ‘Dit boek is een stuitende, ongegeneerde uitspraak over alles’ interview
25 augustus 2010 | Hans van der Klis

Soms is troost bieden belangrijker dan oplossingen aandragen, is de overtuiging van managementadviseur Jeroen Busscher. In zijn nieuwe boek ‘Troost voor werkende mensen’ onderzoekt hij het lijden op de werkvloer en biedt hij troost. ‘Ik heb van nature de neiging mij overal mee te bemoeien, dus moest ik mij tijdens het schrijven steeds inhouden. Maar het was een goede oefening om meer vertrouwen te hebben in anderen. Als adviseur bied ik altijd mijn oplossing, maar je zult het zelf moeten doen. In die zin heeft dit mij geholpen een betere consultant te worden.’

‘Dit is mijn boek, nu kan ik sterven.’ Enig gevoel voor dramatiek is managementadviseur Jeroen Busscher niet vreemd. Ruim twee jaar heeft hij aan zijn nieuwe boek ‘Troost voor werkende mensen’ gewerkt en dat was niet altijd even gemakkelijk. ‘Ik tastte voortdurend in het duister’, vertelt hij. ‘Ik wilde over dit onderwerp schrijven, maar ik wist er niets van. Ik was voortdurend aan het zoeken tijdens het schrijven. Sommige ideeën debiteerde ik al wel op verjaardagsfeestjes, maar nu wilde ik een serieuze onderbouwing voor mijn eigenwijsheden formuleren.’ Busscher vond een structuur toen zijn uitgever hem wees op het werk van de Franse filosoof Alain de Botton, schrijver van ‘Ode aan de arbeid’. ‘Hij is een voorbeeld geweest. De Botton reist bijvoorbeeld naar het land ‘werk’ stapt uit de trein, kijkt rond, stapt weer in en reist verder. Ik wist meteen dat ik die structuur in grote lijnen ook wilde gebruiken. Eerst de herkenning en de anekdote, vervolgens een analyse van het lijden, en tot slot een antwoord op de vraag hoe zou je er anders tegenaan kunnen kijken. Ik wilde niet te academisch te werk gaan, ik heb mijzelf toegestaan een beetje te verdwalen. En dat werkt heel goed.’

‘Troost voor werkende mensen’ laat zich inderdaad niet gemakkelijk classificeren. Het is geen traditioneel managementboek, het is ook geen filosofisch werk of een zelfhulpboek. Busscher analyseert zes vormen van menselijk lijden en onderzoekt op welke manier deze emoties – eenzaamheid, stress, frustratie, zinloosheid, machteloosheid en onzekerheid – ons functioneren belemmeren. Typisch een rijtje dat langer of korter zou kunnen, zegt Busscher. Universele emoties, die hij met behulp van anekdotes en voorbeelden op werk betrekt. ‘Het gaat eigenlijk over het leven zelf en hoe je er tegenaan kijkt’, zegt hij. ‘Omdat ik boeken heb geschreven binnen de context van werk, zoals ‘Pimp je afdeling!’, dacht ik dat ik mij nu ook het best op werkende mensen kon richten. Maar laat ik eerlijk zijn: de relatie met werk is een alibi. Dit boek is een stuitende, ongegeneerde uitspraak over alles. En dus ook werk.’

Angstreductie

Door werk te gebruiken als kapstok voor zijn ideeën heeft Busscher een slimme keuze gemaakt. Het is een onderwerp wat leeft, getuige het discours over het nieuwe werken. Ergens in het boek omschrijft hij werk als een ‘zijnstoestand’: een natuurlijke staat voor de mens. ‘In het verleden heb ik veel workshops gegeven voor Stichting Buitenkunst, een organisatie die projecten organiseert op het gebied van verschillende kunstvormen. Met een specifieke groep deelnemers heb ik eens een workshop gedaan waarbij wij ons inbeeldden dat de mens zich over één miljard jaar had ontwikkeld had tot een gefixeerd wezen, dat vastzat aan de grond. De opdracht was te bedenken wat de mens in die toestand zou doen. Wat mij ogenblikkelijk opviel was dat iedereen meteen begon te werken. De één begon te verzamelen en te classificeren, de tweede was voortdurend bezig zijn omgeving schoon te maken, de derde was de hele tijd dingen aan het verzamelen. Geen van allen was aan het luieren, ze waren allemaal aan het werk. Toen realiseerde ik mij: misschien is dat wel de ultieme angstreductie. De mens heeft altijd gebouwd, initiatief genomen, dingen gedaan. Veel daarvan richtte zich op angstreductie: huizen bouwen, veiligheid creëren. Wij hebben de wereld steeds veiliger voor onze soort gemaakt. Daar zijn wij in geslaagd, want wij zijn inmiddels met heel veel. Het is bij ons ingebakken dat wij bezig moeten blijven.’ In dat opzicht zijn mensen superieur aan mieren, vindt Busscher. ‘Wij vinden het mooi dat mieren goed kunnen samenwerken. Onzin, dat kunnen wij veel beter. Wij doen het als een superorganisme: het werk dat wij doen, hebben wij op sublieme wijze onderverdeeld. Iedereen doet een stukje.’

Uitzonderingen

De emotionele connotatie van het begrip troost zou je op het eerste gezicht niet direct in verband brengen met werk. Werk lijkt een rationele aangelegenheid, een uitruil van productiviteit voor een maandelijks inkomen. Maar schijn bedriegt. ‘De Westerse economieën hebben zich zodanig ontwikkeld dat wij bijna alle activiteiten die rationeel planbaar zijn of herhaald kunnen worden, door computers, machines of Chinezen laten doen’, zegt Busscher. ‘Alles wat steeds op dezelfde manier moet gebeuren, kan een ander goedkoper dan wij. In onze maatschappij houden werkers zich bezig met uitzonderingen, dingen die eenmalig zijn of varianten daarop. Mensen die in productiefaciliteiten werken, hebben als taak fouten in het proces op te sporen. Dat is de uitzondering managen, niet meer de regelmaat. Mensen in kantoororganisaties moeten projecten uitvoeren, klantgericht zijn, samenwerken, innovatief, ondernemend en proactief zijn: elke dag moeten zij de wereld opnieuw uitvinden.’

‘Wanneer jouw werk bestaat uit het managen van uitzonderingen, gaat het niet meer alleen om rationaliteit. Je moet intuïtief kunnen reageren, creatief zijn. Eén van de uitgangspunten van het Rijnlands model van Mathieu Weggeman en anderen is dat mensen in toenemende mate hun ziel en zaligheid meebrengen. De invloed van structopathische organisaties die geneigd zijn in een hokje te duwen, brokkelt steeds verder af. ‘Troost voor werkende mensen’ past binnen dit gedachtegoed: het gaat over de vraag of jij je als mens welbevindt, of jij energie hebt, of jij durft te dromen. Dat is geen soft betoog: die vragen worden economisch gezien steeds belangrijker. Als een team een apparaat als de iPad ontwikkelt, gaat het om samenwerking, creativiteit, durf. Pas dan ontstaat er iets heel moois. Als jij als projectmanager ontmoedigd bent, zal het project minder goed verlopen. Als jij als sales manager geen zelfvertrouwen hebt, verkoop je minder. Ga zo maar door. Henry Ford zei ooit: je huurt twee handen en je krijgt er een hoofd bij cadeau. Nu is het andersom: je huurt een hoofd en je hoopt dat het lichaam wat je erbij krijgt, geen rugpijn krijgt.’

De meisjes

Het boek begint met een mooie anekdote: hoe Busscher een vriend met problemen aan de telefoon kreeg, hem meteen met adviezen overstelpte en hoe hij vervolgens van zijn vrouw te horen kreeg dat dat niet de bedoeling was. Troost bieden is iets anders dan met oplossingen komen, maakte zij hem duidelijk. Het formuleren van oplossingen doe je in zekere zin voor jezelf, schrijft Busscher, om te laten zien hoe scherp je bent. Misschien had die vriend de oplossingen zelf kunnen verzinnen: hij had alleen behoefte aan een schouder om uit te huilen. De anekdote is enigszins gechargeerd, zegt Busscher. ‘Natuurlijk heeft mijn vrouw inspiratie geboden, maar als je een boek schrijft, moet je niet schrijven: dat heb ik in de loop der jaren ontdekt. Dat werkt niet.’

Maar zo was het wel. ‘Ik heb het boek opgedragen aan “de meisjes”, een vriendenclubje van vier mensen waar ik deel van uitmaakte. De meisjes verbeelden het sterkst hoe ik tot het boek ben gekomen. Eens in de zoveel tijd huurden wij met z’n vieren een huisje. Dan gingen wij een weekendje kletsen, zoals vier meisjes dat kunnen: roddelen, klagen, filosoferen over het leven. Het was Sex in the City, maar dan minder oppervlakkig. Die houding is uitgemond in dit boek. Ik ben vrij obsessief in mijn pogingen het leven te begrijpen.’ In zekere zin sluit dat aan bij het werk wat hij doet als managementadviseur, zegt Busscher. ‘Mijn vak is met groepjes werken en proberen te begrijpen waarom zij bepaalde dingen doen, waarom zij in bepaalde patronen vastzitten. Dan vraag ik mij af wat ik kan doen om dat te doorbreken.’

Is hij dan niet toch meer geneigd om met oplossingen te komen? Troost bieden lijkt in tegenspraak met wat van een managementadviseur wordt verwacht: die wordt juist geacht met oplossingen te komen. ‘De titel ‘Troost voor werkende mensen’ heeft tijdens het schrijven goed gewerkt omdat ik mij steeds bewust was dat het ging om troost, en niet over oplossingen voor werkende mensen’, zegt Busscher. ‘Maar dat is wel mijn valkuil. Ik heb van nature de neiging mij overal mee te bemoeien, dus moest ik mij tijdens het schrijven steeds inhouden. Maar het was een goede oefening om meer vertrouwen te krijgen in anderen. Als adviseur bied ik altijd mijn oplossing, maar je zult het zelf moeten doen. In die zin heeft dit mij geholpen een betere consultant te worden.’

n=1

Door de vrije geest die door het boek waait, en door de relativerende en soms ironische toon, dringt zich de vraag op waar Busscher zijn autoriteit op stoelt. Dat is een vraag waar hij zelf ook mee geworsteld heeft, erkent hij. ‘Het hoofdstuk waar ik het meest uit geschrapt heb, is de inleiding: daar had ik allerlei verontschuldigingen in opgenomen. Van de uitgever moesten die eruit. En terecht. Je moet de moed hebben om het oordeel over te laten aan de lezer. Maar ik draai er niet omheen dat voor dit boek geldt dat n=1: het aantal onderzochte personen bedraagt één en dat ben ik zelf.’

Busscher, die ooit aan de Gerrit Rietveld Academie werd opgeleid, trekt een parallel met het kunstenaarschap. ‘Als beeldend kunstenaar begin je ook met een wit blad. Wie ben jij om daar een streep op te zetten? Op een zeker moment stap je daar overheen en doe je het gewoon. Als mensen daar problemen mee hebben, is dat jammer. In die zin is het een soort arrogantie, of hoe je het ook wilt noemen: autisme, overmoed. Wat maakt het uit dat ik dit zeg? Voor wetenschap heb ik het talent noch het geduld. Ik ben niets meer dan een meneer die over het leven praat en zijn ideeën aan je voorlegt. De bottomline is: n=1. Maar als jij het leest en denkt: hier heb ik wat aan, dit troost mij, dan is dat voor mij voldoende. Ik ben een kind van het postmodernisme: ik geloof niet dat er één waarheid is.’

Hij denkt wel dat de mechanismen die hij in ‘Troost voor werkende mensen’ beschrijft invloed kunnen hebben op organisaties. ‘In de organisaties waarin wij tegenwoordig werken zijn de kwaliteiten om resultaat te boeken positieve energieën: overtuigingskracht, creativiteit, innovatief vermogen. Dat zijn energieën die beweging proberen te geven. De sentimenten die ik beschrijf in ‘Troost voor werkende mensen’ gaan juist over wanneer het eb wordt. Eenzaamheid frustreert, frustratie en stress leveren helemaal niets op. Je zou kunnen zeggen dat energie die anders constructief is, door deze emoties naar binnen slaat in de vorm van onzekerheid, machteloosheid, zinloosheid of stress. Als een manager mij zou vragen waarom hij dit boek zou moeten lezen, zou ik zeggen dat wanneer mensen getroost worden, de energie die nu naar binnen slaat omgezet kan worden in creatieve energie. Daarmee kun je weer naar buiten en kun je iets betekenen voor anderen. Nu onze persoonlijkheid een economische waarde vertegenwoordigt, is dat van groot belang.’

Het onderzoek heeft Busscher zelf ook geholpen. ‘Mijn grootste valkuil is dat ik altijd maar door wil, dat ik bijna over de dagelijkse werkelijkheid heen wil stappen. Dat kan een permanente frustratie met het heden tot gevolg hebben: als je de hele tijd bezig bent met willen, ben je niet bezig met het nu. Dat heb ik beter in perspectief leren plaatsen. Een blokje omgaan, elke dag weer, is ook goed, het hoeft niet altijd een wereldreis te zijn. Ook als je elke dag hetzelfde blokje om loopt, is er genoeg te ontdekken. In de film American Beauty komt een jongen voor, die de hele dag aan het filmen is. Op de vraag wat hij aan het filmen is, laat hij een shot zien met een plastic zakje dat door de lucht dwarrelt. En dan zegt hij: ‘‘I know video is a poor excuse to help me remember’’. Het helpt hem herinneren dat er overal schoonheid te bewonderen is. Dat een dwarrelend plastic zakje al mooi kan zijn. ‘Video is a poor excuse’, maar ik heb het nodig. Het schrijven van een boek is ‘a poor excuse’, maar ik heb het nodig om te onthouden dat het niet gaat om wat ik wil, maar over dat wat er is.’

De boekenkast van Jeroen Busscher, kunstenaar met woorden boekenkast
30 juli 2010 | Eline Crijns

Hij is als beeldend kunstenaar via Malgil, zijn prijswinnende ontwerpbureau voor cultuurinterventies, gekomen tot wat hij nu is: zelfstandig consultant organisatiecultuur en schrijver. De boekenkast van Jeroen Busscher.

Zijn eerste boek Pimp je afdeling! was een bestseller en het schrijven smaakte naar meer. Hij schrijft zoals hij is: extravert, uitbundig, uitnodigend en bevlogen. Hij vindt van zichzelf dat hij nog niet met droge ogen kan zeggen dat hij echt schrijver is. Daarvan moet hij eerst het bewijs zien door zijn tweede echte boek van de drukpers te zien rollen. Ondertussen heeft hij alweer vijf ideeën voor nieuwe boeken, maar die moeten even wachten.

Pimp

Jeroen Busscher ontvangt me in zijn nieuwe huis in een rustige, groene straat in Amsterdam waar hij net met zijn vrouw en dochtertje zijn intrek heeft genomen. Tijdens ons gesprek wordt hij gebeld door de makelaar en verkoopt en passant zijn oude huis. Busscher werkt en schrijft vanuit een zonnige werkkamer aan huis. Hij vertelt: ‘Ik ben nu bezig aan mijn tweede echte boek dat ‘Troost voor werkende mensen’ gaat heten. Het ‘Prekenboek’ tel ik niet mee als ik het heb over de boeken die ik echt heb geschreven, dat is meer een concept waarvan ik samen met Miranda Keijser-Van Gils de samenstelling en redactie heb gedaan.’

‘‘Pimp je afdeling!’ was mijn eerste boek. Ik heb het in een soort ‘stream of consciousness’ in zes weken geschreven. Eigenlijk stond het boek in één keer goed op papier. Wat in dat boek staat, wist ik al omdat ik me al twintig jaar met de materie bezighoud en er een seminar over had gemaakt. Dat seminar was de aanleiding voor een uitgever om mij te bellen met de vraag of ik over dat onderwerp ook een boek kon schrijven. ‘Ik weet het niet,’ was mijn reactie, ‘maar ik behoor wel tot die miljoen Nederlanders die wel eens een boek zou willen schrijven, dat kan ik niet ontkennen. Ik weet niet of ik het kan, maar ik wil het best proberen.’ Ik heb toen afgesproken om tienduizend woorden te gaan schrijven. Als dan zou blijken dat ik het leuk vind om te doen en het vervolgens ook leuk is om te lezen, zouden we een boek gaan maken. Toen dat allemaal positief uitpakte, heb ik het manuscript als een razende geschreven, dat kon omdat ik door het seminar de basisstructuur en de inhoud van het verhaal paraat had. Er zit een hoofdstuk bij dat ik zelfs in een twee uur durende treinrit heb geschreven. Ik ben bijna jaloers op mezelf nu. Mathieu Weggeman zei eens: "Je eerste boek kapitaliseer je op twintig jaar kennis, bij je tweede boek moet je helemaal opnieuw beginnen." Dat is letterlijk zo, ik heb in ‘Pimp’ opgeschreven waar ik in twintig jaar naartoe heb gewerkt.’

Lijden

Busscher werkt nu aan zijn nieuwe boek ‘Troost voor werkende mensen’. Hij legt uit waarom dat een hele kluif is: ‘In dit boek schrijf ik veel minder vanuit wat ik al weet, maar ben ik veel onderzoekender. Ik ben nu eenmaal niet dé expert op het gebied van troost die even zal uitleggen hoe het in elkaar zit. Het wordt een explorerend boek en daardoor is het een heel ander schrijfproces. Ik schrijf in het begin van het boek dat ik er net zoveel van af weet als de lezer, maar dat ik na het schrijven ervan hoop er veel meer van af te weten. "Als je ergens verstand van wilt hebben, moet je er les in geven", zei Peter Drucker. Al schrijvende ontdek je dingen, je leest veel en denkt erover na; doordat je er zo mee bezig bent, word je expert.’

‘Ik wilde een boek schrijven over lijden, omdat ik vind dat het ultieme doel van mijn vak is om het lijden te verlichten. Ik kom bij bedrijven waar mensen niet gelukkig zijn. In principe zou mijn toegevoegde waarde als consultant organisatiecultuur moeten zijn dat het bij die bedrijven leuker en beter gaat doordat mensen beter gaan samenwerken, prettiger met hun klanten omgaan en daarmee succesvol kunnen worden. Ik heb de overtuigingskracht om mensen te helpen, ik ben verbaal sterk en mijn primaire interesse is de werking van groepen.’ Busscher wil dat groepsleden zich prettiger voelen en daarmee ook beter presteren. Dat probeert hij te bereiken door verhalen, interventies, teamwerken en allerlei andere manieren. ‘Je zou kunnen zeggen dat mijn beroep gaat over het verlichten van lijden, vanuit het principe dat als het lijden verlicht wordt er ook meer lol, plezier en prestatie is. Daaruit is bij mij de vraag hoe mensen lijden, ontstaan. Hoe werkt dat en hoe uiten ze dat? Het leek me een heel mooi onderwerp om over te schrijven. Daarbij beperk ik me tot de werkvloer. Ik heb zes grootheden van lijden gezocht die ik bij mezelf ervaar of zie bij anderen: zaken als eenzaamheid, machteloosheid, stress, onzekerheid, frustratie en zinloosheid. Ik onderzoek of je dat lijden kunt verlichten door er op een andere manier tegenaan te kijken of door er op een andere manier op te reageren. Het is niet bedoeld als doeboek, maar het is troostend en relativerend.’

Of het hem gaat lukken om de lezer te troosten weet hij nu nog niet. ‘Ik heb de opzet van de boeken van Alain de Botton als voorbeeld genomen. Hij bezoekt een onderwerp en filosofeert erop los; hij zegt daarbij niet hoe de wereld in elkaar zit. Hij laat de lezer vrij om er mee te doen wat hij wil, wat bij hem past of waar hij iets mee kan. Bij het lezen van ‘Troost’ stap je in de trein met Jeroen Busscher en gaan we naar het land genaamd Troost. Er zijn onderweg zes stations. De lezer kan onderweg zien wat hij wil zien. Ik probeer te inspireren en herkenning en erkenning te bieden. Misschien is dat wel troosten.’

Gisten

Na zijn eerste boek dat hij op verzoek van een uitgever schreef en waarmee Busscher ‘zijn kennis kapitaliseerde’, was het niet vanzelfsprekend om verder te gaan met schrijven. Hij legt uit waarom hij besloot verder te gaan: ‘Ik ben autonoom kunstenaar geweest, ik ben al twintig jaar geen kunstenaar meer, maar die behoefte om autonoom, helemaal zonder dat iemand zich ermee bemoeit, iets te maken, krijg je er schijnbaar niet meer uit. Die behoefte om iets te maken buiten mezelf zal gesublimeerd wel betekenen dat ik iets wilt achterlaten na mijn dood – al zou ik dat nooit zo zeggen! –, hoewel ik bijna gegarandeerd een boek heb geschreven dat na mijn dood niet meer gelezen zal worden. Het maken heeft ook iets te maken met het genieten van het ding. Toen ik als kunstenaar iets maakte, was het er echt.’ Hij wijst schilderijen van zijn hand aan die in zijn werkkamer hangen. ‘Je kunt het gewoon oppakken, ik heb toch iets met het concrete. Een boek is een mogelijkheid om iets waar mijn talent ligt, in de performance, te vatten in iets concreets. Want performance is vluchtig, het verdwijnt, het is de krant van gisteren.’

‘Ik ben iemand die in kan pluggen en overal kan schrijven, maar nu ik zo’n mooie, lichte werkkamer heb, schrijf ik vooral hier. Ik plan geen hele schrijfdagen in, mijn top is misschien drie uur schrijven, maar meestal is het een uurtje. Dat komt omdat ik er eerst heel veel over mijmer en dan als een razende een monoloog houd. Dat is ook hoe ik werk met klanten. Ik plan niet van te voren wat ik ga doen. Ik laat na de intake en het afstemmen van wederzijdse verwachtingen het onderwerp een beetje gisten. Op mijn laptop heb ik talloze filmfragmenten die ik gebruik bij presentaties in plaats van sheets, ik kan goed improviseren. Na het gisten knal ik er op het moment zelf als een champagnefles, beng, in. Ik merk dat ik ook zo schrijf. Dat gisten over het onderwerp van het boek gaat altijd door tijdens andere bezigheden. Door mijn beroep heb ik ervaring met het doorlopen van creatieve processen, ik heb het vermogen dat ze incubatietijd noemen, ontwikkeld. Je verdiept je in een onderwerp en vervolgens leg je het in de kelder. Je onderbewuste laat het gisten en op het moment dat je het uitpakt, heb je al heel veel bedacht. Dat proces van je aandacht op iets focussen, het weer wegleggen en het een paar uur later of de volgende dag weer oppakken en er dan de volgende stap mee zetten, doe ik mijn hele leven al. Eerst als kunstenaar en later in mijn andere werk.’

Busscher ziet schrijven ook als een vorm van improviseren. ‘Op het moment dat je aan het schrijven bent, praat je tegen jezelf en je geeft antwoord. Terwijl je zit te typen denk je: ‘dit moet ik ook doen, of dat is ook leuk’ of je verdwaalt of denkt ‘dan zetten we dat daar’. Je typt letters en woorden, die lees je en dan reageer je daar weer op. Dat is het mooie aan zo’n proces. Het is net als met schilderen: je zet een rood vlekje en ineens heb je daarmee commentaar gegeven op het voorgaande en kun je daar weer op reageren. De dialoog zit in de handeling, dat is het mooie van maken.’

Graphic novels

Busscher heeft in zijn werkkamer een grote boekenkast met uitsluitend non-fictie. In de werkkamer van zijn vrouw, die prozaschrijfster is, staat de boekenkast met fictie. In de rest van het huis staan bewust geen boekenkasten. Busscher legt uit: ‘Ik vind het nogal een aanwezigheid, het zijn allemaal verhalen waar je tegenaan kijkt. Ze praten tegen je. Ik zie niet de covers, maar waar de boeken over gaan. Het zijn gewoon veel prikkels, ik vind het ook prettig om ruimtes te hebben waar die niet zijn.’ In zijn boekenkast staan twee opvallende dingen: graphic novels en dvd’s. Graphic novels zijn stripboeken voor volwassenen. Hij pakt ze enthousiast uit de kast en laat de beste strips zien: ‘Het is de combinatie van beeld en tekst die het ‘m doet, het beeld communiceert. Maar dit soort stripboeken moeten nog wat meer geëmancipeerd worden, ze worden nu nog te veel geassocieerd met Suske en Wiske. De meer dan honderd dvd’s zijn met name documentaires. Ik koop ze of neem ze op van tv als ik denk dat er een scène in voorkomt waarmee ik iets kan voor mijn werk. Op mijn laptop heb ik een werkvoorraad van zo’n vijftig fragmenten, dat is het resultaat van zeven jaar zoeken.’

‘Wat lezen betreft, ben ik een redelijk constante doorlezer. Ik ben vaak in meerdere boeken tegelijk bezig die ik vrijwel altijd uitlees. Daarna bedenk ik meteen welk boek ik dan wil lezen. Ik kies bijna altijd voor non-fictie, ook al ligt er fictie klaar. Ik stop met kopen als ik te veel ongelezen boeken heb liggen. Mijn boekenkast schoon ik regelmatig op, wat er staat moet relevant zijn. Aan mijn boekenkast zie je dat ik weinig gefocust ben. Er staan dvd’s, luister-cd’s van Home Academy, graphic novels, kunstboeken, erotica, managementliteratuur en filosofie. Ik moet het hebben van mijn algemene interesse en ben niet gepreoccupeerd met een onderwerp, het schiet alle kanten op. Zo ben ik zelf ook, ik kan breed denken en handelen. Het gaat bij mij nergens en overal over!’

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden