Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
Geboekstaafd - De top 3 van Jaap Bressers geboekstaafd
26 februari 2016 | Nienke van Oeveren

Jaap Bressers leek voorbestemd om een topmanager te worden, tot hij bij een duikongeluk zijn nek brak en in een rolstoel belandde. Dit maakte dat hij op een heel andere manier ging kijken naar de wereld om zich heen. Deze nieuwe inzichten deelt hij als veelgevraagd spreker in het bedrijfsleven. Hij vertelt over zijn 3 favoriete boeken.

1 De wet van Snuf
Jos Burgers
‘We hebben allemaal veel meer te geven dan we denken. De wet van Snuf spreekt me dus erg aan; wat je geeft, krijg je terug, zegt Jos Burgers. Ik heb een goed contact met hem en hou van zijn leuke, toegankelijke boeken. Dat een boek praktisch is en je het met een lach leest, vind ik erg belangrijk. Als je iets kleins kunt geven en daarvoor zelf ook een glimlach krijgt, moet je dat zeker doen.'

2 Het licht en de korenmaat
Hans Wopereis
‘Als mijn carrière anders was gelopen, had ik Het licht en de korenmaat niet aangeraakt, dan was ik een niet-lullen-maar-poetsen-manager geweest. Dit boek moet je zelf praktisch maken; het moet echt bezinken. De boodschap van Hans Wopereis is prachtig; zorg dat je je persoonlijke waarden in je werk kwijt kunt. Ik mag intens genieten van wat ik nu doe en hoe ik van betekenis kan zijn voor anderen. Wopereis haalt daarbij oude wijsheden uit allerlei culturen aan, wat je de ruimte geeft om je eigen wijsheid te vinden.'

3 Cradle to cradle, afval = voedsel
William McDonough, Michael Braungart
Wat draag je bij? We drukken toegevoegde waarde vaak uit in geld en vergeten daarbij de natuur. Cradle to cradle vertelt niet hoe we minder slecht voor de natuur kunnen zijn, maar juist bij kunnen dragen en bevat prachtige voorbeelden. Bijvoorbeeld een fabriek voor het kleuren van textiel: in plaats van ernstig te verontreinigen komt het water er schoner uit dan het er in gaat! Kijk eens opnieuw naar je proces, misschien is het tijd om het anders te gaan doen.'

Trends 2014 nieuws
27 december 2013 | Pierre Pieterse

Gepatenteerde blijvertjes onder de noemer ‘trends’ zijn ‘retro & authentiek’, vandaar dat we voor onze inventarisatie een authentieke klassieke glazen sneeuwbol (Franse vinding, circa 1800) een paar keer op zijn kop hebben gehouden waarna een hele sneeuwbui aan onmiskenbare trends naar beneden dwarrelde. We hebben de belangrijkste (management)ontwikkelingen er heel selectief dus arbitrair uitgepikt, te weten: mobiel, big data, Aandacht, balanseconomie en anders organiseren.

Mobiel
Dé trend voor 2014 is ongetwijfeld mobiel. Sommige kenners spreken zelfs van ‘hypermobiel’. Dat is wellicht wat zwaar aangezet, maar mobiel is onmiskenbaar een tijdje geleden ingezette ontwikkeling die inmiddels is uitgegroeid tot een krachtige trend. Wie mobiel niet zichtbaar is, bestaat eigenlijk niet. En paradoxaal genoeg, ondanks het scala aan mogelijkheden en de ervaring met ‘internet’, is het makkelijker om onzichtbaar te blijven dan zichtbaar. Denk maar even aan de enorme implicaties op de bedrijfsvoering. Voor het betere hands-on marketingwerk is er het Handboek Mobile Marketing van Patrick Petersen. Wie meer strategisch aan de slag wil, moet nog even wachten, pas half maart verschijnt het Handboek mobiele strategie van Bert van Asten. Wie echter niet kan of wil wachten, heeft met de Lanting Trilogie (Connect!, Iedereen CEO en De slimme organisatie) een puik ‘overzichtshandboek’ in handen.

Big data

Sinds de datamedaille is gekanteld en de Januskop ‘privacy’ zichtbaar is, staat het ongebreideld verzamelen van gegevens in een kwade reuk. De doorwrochte typoscripten over de duistere praktijken van de NSA of het terechte martelaarschap van iemand als Edward Snowden liggen al op de redactieburelen van grote uitgevers. Dark Market van Misha Glenny zou er weleens bij kunnen verbleken. Maar uiteindelijk zal dat slechts een rimpel in de vijver blijken, ‘data is here to stay’. Om de doodeenvoudige reden dat de voordelen groter zijn dan de nadelen. Een fraaie en ook bekroonde analyse is De big datarevolutie van Viktor Mayer-Schönberger en Kenneth Cukier. Volgens het vakblad Strategy + Business het beste boek uit 2013 in de categorie ‘digitizing’ en volgens internet scepticus Evgeny Morozev (The Net Delusion: The Dark Side of Internet Freedom, en recent To Save Everything, Click Here: The Folly of Technological Solutionism) ‘een toegankelijke tour langs de voordelen en valkuilen van big data-analyse’. Overigens kent deze ‘databeweging’ een gerenommeerd criticus in de persoon van Nassim Nicholas Taleb (The Black Swan): data-analyses resulteren in gemiddelden, leuk in Mediocristan, maar nutteloos in Extremistan, de wereld waarin wij leven. U bent dus minimaal gewaarschuwd.

Aandacht
Uit de beroemde Hawthorne experimenten distilleerde Elton Mayo dat aandacht werknemers doet floreren. En al lijkt het erop dat Mayo met de cijfers heeft geknoeid (lees vooral De managementmythe waarin Matthew Stewart deze en andere mythes doorprikt) en al lijkt nieuw onderzoek er op te wijzen dat huidige werknemers juist opbloeien als managers hen met rust laten, niemand lijkt ooit te zijn bezweken onder de juiste dosering aandacht. In organisaties kan gebrek aan aandacht leiden tot een managementstijl die wordt bestempeld als ‘op hol geslagen leiderschap’. Volgens Daniel Goleman (Emotionele intelligentie) een vorm van leiderschap waarbij de menselijke kosten ondergeschikt maakt aan de resultaten. In een interview naar aanleiding van zijn boek met de alleszeggende titel Aandacht zegt hij verder: ‘Een vorm van management waarbij leiders enkel het tempo bepalen of hun ondergeschikten opdragen net zo te zijn als zichzelf en mensen die daaraan niet kunnen voldoen passeren of bedelven onder negatieve feedback. Zo'n commanderende stijl heeft een verwoestende uitwerking op het emotionele klimaat van de organisatie.’

Balanseconomie
Balanseconomie, ofwel circulaire economie als tegenvoeter van de lineaire economie. Niet gebruiken maar hergebruiken. Maar dat kan alleen als we ‘ophouden met het maken van minder slechte producten en uitsluitend nog intelligente producten ontwerpen, gemaakt van materialen die we steeds weer kunnen teruggeven aan technische of biologische kringlopen.’ Aldus William McDonough en Michael Braungart, de aartsvaders van het concept (en gelijknamige boek) Cradle to cradle. Duurzaam ondernemen is hiervan een directe afgeleide die zich praktisch laat vertalen in ‘kleinschaligheid’, ‘coöperatief organiseren’ en ‘de opkomst van de circulaire economie’. Boeken te over voor de liefhebbers, van diepgravende organisatorische analyses (Werken aan de Weconomy onder redactie van Jan Jonker) tot praktisch hands-on werk (In vijf stappen CO2-neutraal ondernemen van Rob van der Rijt), de meest actuele stand van zaken hebben wij voor u gebundeld in een achtergrondartikel onder de titel ‘Duurzaam zakendoen: Het is rond en het komt eraan’.

Anders organiseren
Anders organiseren kent heeft zijn wortels in zelforganisatie en zelfsturing (trends die inmiddels zijn volgroeid facts of life) maar is zoals het zelf ook aangeeft ‘anders’. Aanhakend op externe ontwikkelingen ontstaan netwerken die inhaken op de nieuwe economische, maatschappelijke en technologische realiteit. Technologie dwingt andere organisatievormen af door ze te faciliteren, internet creëert nieuwe markten door oude af te breken, net zoals juist een crisis de broodnodige creativiteit aanwakkert door vastgeroeste bakens weg te gummen. Het icoon en tegelijk ook trendwatcher van deze laatste ‘creatieve beweging’ is Martijn Aslander. Niet bij de pakken neerzitten maar kansen pakken. ‘We zitten in een nieuwe renaissance’, zegt hij in een interview. Noem het ‘life-hacking’ (slim organiseren), label het als ‘small is the new big’, duidt het als ‘permanent beta’ (nooit af), in essentie is het allemaal de resultante van ‘anders organiseren. Vooral dat laatste, ‘permanent beta’, is cruciaal, omdat het de kritieke succesfactoren van morgen - geven en delen van kennis en middelen – in het productieproces incorporeert en dat realtime. In de woorden van Aslander: ‘Bridging brains, tech & culture. Ergens in dat domein liggen de oplossingen voor de vraagstukken waar we nu last van hebben.’ Een domein waar een grote organisatie of dure kantoren slechts belemmeren, een domein waar je netwerk, je contacten, je expertise en kennis en bovenal je attitude het verschil tussen falen en succes bepalen.

Neuromarketing

Strikt genomen geen managementtrend, maar toch wel even aardig om in dit verband te vermelden: de doorbraak van neuromarketing. Jaren geleden verscheen Het breinboek voor managers van Paul Postma maar met de kennis van nu was dat net iets te vroeg. Nu is dat duidelijk anders, getuige niet alleen een heuse polemiek in De Groene (Paul Postma repliceerde in Managementboek Magazine per column) maar ook de populariteit van titels als Brainbound Marketing (Paul Hassels Monning), De koopknop (Marcel de Munnik) en het tamelijk basale Neuromarketing (Eric van Arendonk). Maar Paul Postma blijft toch de onbetwiste Hollandse Meester op dit vakgebied en bewijst dat eens te meer met het prachtige handboek Anatomie van de verleiding (in het vakartikel met dezelfde titel kunt u een kort réposé tot u nemen).

Overigens is het vakgebied marketing ook in beroering. Volgens Frank Wouters moet marketing weer terug naar zichzelf. In Honshitsu – De essentie van marketing, de marketing van de essentie dat elke propositie moet uitgaan van een streng bewaakt totaalconcept. Dus weg van de waan van de dag. En dat concept moet zijn gebaseerd op een waarde die de aanbieder uitdraagt. Een vorm dus van conceptuele marketing. Klinkt misschien wat vaag of zelfs moeilijk, maar in het boek legt Wouters het zeer consciëntieus uit. En Wouters schuwt de provocatie niet om zijn boodschap kracht bij te zetten. In een interview zegt hij: ‘De algemene consensus die er heerst, is dat het werk van Kotler maatgevend is. Bij gebrek aan goede theorievorming zijn we alles maar als bruikbare theorie gaan beschouwen. Kotler heeft feitelijk geen theorie, maar geeft een inventaris van alle beschikbare marketinginstrumenten waarvan de meeste marketeers bovendien moeten toegeven dat ze ze niet beheersen. Ik durf te beweren dat zijn werk berust op een vergissing.’ Voor volk en vaderland Een terugkerende trend is (naast de Trendrede) het jaarlijkse trendoverzicht van de ‘trendwatcher des vaderlands’. Onder de niet mis te verstane titel Trends 2014 schetst Adjiedj Bakas het aankomende jaar in drie pakkende lemma’s: De Nieuwe Soberheid, Marx voor de Middenklasse en de Economie van het Geluk. En bij die laatste constatering sluiten wij ons graag aan: een gelukkig en voorspoedig 2014!

Duurzaam zakendoen: Het is rond en het komt eraan special
28 augustus 2013 | Pierre de Winter

Drie belangrijke trends stelen momenteel de show in het duurzaamheidsdebat: kleinschaligheid, coöperatief organiseren en de opkomst van de circulaire economie. ‘Mensen zijn op zoek naar nieuwe vormen om de samenleving en de economie vorm te geven.’

Sinds de bestseller Cannibals with Forks, geschreven door John Elkington in 1998, is duurzaamheid een onderwerp dat serieus wordt genomen door bedrijven. Met zijn triple bottom line van people, planet en profit zette de Brit de planeet en haar bewoners op onontkoombare wijze op de agenda van de wereldwijde businesscommunity. Sindsdien sloven multinationals zich uit om zich van hun beste kant te laten zien waar het gaat om zaken als het milieu, de omgang met toeleveranciers in lagelonenlanden of het verminderen van hun (carbon) footprint. En jaarlijks rapporteren ze daarover – de een geloofwaardiger dan de ander – met behulp van de ppp-structuur van Elkington in hun sustainability reports.

Boeken over duurzaamheid en het zakenleven behandelden de afgelopen tien jaar dan ook steevast Elkingtons gedachtegoed. Ze werden meestal geschreven voor de corporate wereld, want daar gebeurde het en daar was natuurlijk ook het meeste geld te verdienen voor de vele adviseurs die in dezelfde periode actief zijn geworden op dit vlak.

Ander licht

Het lijkt erop dat het zwaartepunt is verschoven. De multinationals zijn natuurlijk niet uit het zicht verdwenen, getuige het nog in april voor de titel Managementboek van het Jaar genomineerde Duurzaam ondernemen waarmaken van Rob van Tilburg en Rob van Tulder. Maar er verschijnen de laatste tijd meer boeken die duurzaamheid in een ander licht plaatsen: dat van burgerinitiatief, kleinschaligheid, nieuw organiseren en slim gebruik van nieuwe technologie. En als het dan over het bedrijfsleven gaat, richt men zijn pijlen liever op het mkb dan op de wereld van de corporates.

Zo is daar het boekje In vijf stappen CO2-neutraal ondernemen van Rob van der Rijt. Nu veel grote bedrijven zich met ambitieuze CO2-programma’s op de borst kloppen, is het de hoogste tijd dat het mkb – tachtig procent van de vaderlandse economie per slot van rekening – mee gaat doen, dacht de duurzaamheidsadviseur. Hij startte de website Klimaatplein.com, waar bedrijven zich kunnen aansluiten bij een community die precies dat doet: mkb’ers helpen hun bedrijfsvoering CO2-neutraal te maken. Zijn boek is bijgevolg geen wereldbestormende visie waarin nieuwe vergezichten worden aangezwengeld, maar een broodnuchter vijfstappenplan dat ondernemers een gestructureerde aanpak biedt om dat doel te bereiken. Simpel, praktisch, kleinschalig en als het goed is aan het eind nog winstgevend ook. Dat zijn vijfstappenplan investeringen vergt die veel bedrijven in deze tijd moeilijk zullen opbrengen, is volgends Van der Rijt geen onoverkomelijk probleem. ‘Zonder te investeren kun je al heel veel doen: winkeldeur dichthouden, bandenspanning op peil houden of de pc’s op de energiestand zetten. En met het geld dat je daarmee bespaart, kun je gaan investeren.’

Transitietijd

‘Dat er meer oog is voor kleine bedrijven en de burgerij, is logisch’, zegt hoogleraar duurzaam ondernemen Jan Jonker. ‘We leven in een transitietijd. Een tijd waarin de gevestigde orde tekenen van serieus verval laat zien en mensen op zoek zijn naar nieuwe vormen om de samenleving en de economie vorm te geven. Als je ziet dat het huidige kabinet miljarden moet bezuinigen om een procentpuntje van het begrotingstekort af te kunnen halen en niet eens aan de staatsschuld toekomt, dan weet je dat we met z’n allen veel te veel geld hebben uitgegeven en dat het tijd is voor een nieuwe inrichting van de maatschappij. Die verandering hoef je alleen niet uit Den Haag te verwachten via een Postbus 51-spotje en ook niet uit de corporate wereld, maar die zal voort moeten komen uit de energie die aanwezig is in de samenleving. We moeten terug naar de economie van Wij.’

Zelf is Jonker een van de aanvoerders van die beweging, met zijn vorige boek Duurzaam Denken Doen – product van een crowdsourcingproject met medewerking van vierhonderd vrijwilligers. Dit jaar kwam Werken aan de Weconomy uit, voortvloeiend uit datzelfde project, dat luisterde naar de naam ‘Our common future 2.0 NL’. In dit tweede boek brengt Jonker een dertigtal auteurs samen in een gezamenlijke zoektocht naar de vraag hoe die nieuwe economie van Wij georganiseerd kan worden.

Burgerinitiatieven

In de bundel vinden we veel bijdragen over innovatieprocessen en organisatieoverschrijdende samenwerking. Zo mogen Edwin Kaats en Wilfrid Opheij, schrijvers van het Managementboek van het Jaar 2013 (Leren samenwerken tussen organisaties), de duurzame community waarschuwen voor de complexiteit van samenwerkingsverbanden tussen organisaties, probeert Jonker zelf samen met coauteur Richard Kok het regeneratieve vermogen van de natuur als voorbeeld te nemen voor de oplossingsrichtingen die voor de maatschappij te bedenken zijn en worden er enkele daadwerkelijke cases van nieuw organiseren behandeld. Coöperatie de A in Apeldoorn bijvoorbeeld, is een door inwoners opgerichte energiecoöperatie die de stad voor minimaal 10 procent van schone energie wil gaan voorzien. Er zijn schijnbaar spontane transitieplatforms tot stand gekomen in zowel de provincie Zeeland als de stad Breda, die zich binnen enkele jaren een plaats hebben verworven aan de tafels waar de beslissingen over de toekomst van stad en provincie genomen worden. Het ontstaan van dergelijke burgerinitiatieven wordt beschreven in Werken aan de Weconomy en er worden succesfactoren gedefinieerd; een gezamenlijk toekomstbeeld, de betrokkenheid van een onafhankelijke derde partij, kennis van theoretische kaders over samenwerking als Theory U, Spiral Dynamics of The natural step.

Van weer een andere orde is het verhaal waarin beschreven staat hoe de gemeente Renkum gedurende vijftien jaar duurzaamheidsbeleid leerde om haar burgers daadwerkelijk te betrekken bij de besluitvorming over hun leefomgeving. Een must read voor alle bestuurders van Nederland.

Tv’s leasen

Niet alle artikelen zijn van even hoog niveau, maar er staan enkele behartenswaardige bijdragen in Werken aan de Weconomy en de beschreven casuïstiek doet beseffen dat er op het kruispunt van duurzaamheid en nieuw organiseren wel degelijk van alles gist in de samenleving. Tot slot is nog vermeldenswaard het goede stuk van MVO-medewerker Michiel Schuurman over een thema dat sinds enkele jaren de kop opsteekt in duurzaamheidskring: de circulaire economie. Schuurman beschrijft een routekaart naar die economie, waarin ontwerp en materiaalkeuze van producten maximaal hergebruik van de grondstoffen garanderen en waarin consumenten niet zozeer betalen voor eigendom, maar voor gebruik en prestaties. We gaan straks niet alleen auto’s maar ook tv’s, koelkasten, wasmachines, kleding en wat niet meer huren of leasen. Als we het product willen vernieuwen, komt de producent het inruilen voor het nieuwste model. En alle materialen in het oude product vinden hun weg terug naar de productieketen.

Het is een idee dat gemunt werd door de bedenkers van het Cradle to Cradle-concept: Michael Braungart en William McDonough. Maar de laatste jaren krijgt het vooral vleugels door de stijgende grondstofprijzen waar de maakindustrie mee te maken heeft. Er is steeds meer economische ratio om materialen terug te winnen uit producten. Een veelgeciteerde studie van McKinsey suggereert zelfs dat de transitie naar die circulaire economie de landen van de Europese Unie wel eens een jaarlijkse besparing zou kunnen opleveren van 630 miljard euro. Een transitie die nieuwe samenwerkingsverbanden vraagt tussen bedrijven, resulterend in bijvoorbeeld een nieuwe ruimtelijke inrichting van bedrijventerreinen, inclusief gebouwen die net zo recyclebaar en makkelijk te demonteren dienen te zijn als de producten die er worden ontworpen en geproduceerd.

Een dergelijke circulaire economische orde zal in de ogen van Jan Jonker niet door regimespelers als de overheid en de grote bedrijven geïnitieerd gaan worden, maar juist door kleinere bedrijven die tot nieuwe combinaties en samenwerkingsverbanden zullen komen én door burgers die besluiten hun krachten te bundelen en het heft in eigen hand te nemen. Jonker: ‘Denk alleen maar aan energie. Als burgers een energiecoöperatie beginnen en duurzame energie gaan produceren voor andere gebruikers dan henzelf, staat binnen de kortste tijd de fiscus aan de deur, terwijl grote bedrijven voor grijze energie minder dan de helft betalen dan de consument. Dat zijn structuren – je mag het geen subsidies noemen – die maken dat de gevestigde orde echte verandering niet makkelijk zal mogelijk maken.’

Circulaire economie

Als het aan Marga Hoek ligt, loopt dat wel los. In haar boek Zakendoen in de nieuwe economie pleit ook zij – Hoek is directeur van het duurzame ondernemersplatform De Groene Zaak – voor de circulaire economie-in-opkomst. Onder het motto ‘de economie is er voor de wereld, de wereld is er niet voor de economie’ schreef deze gedreven ondernemer en netwerker een wederom mede-gecrowdsourced boek waarmee ze vooral ondernemers probeert aan te spreken. En gezien het netwerk dat zij met De Groene Zaak heeft opgebouwd, is het logisch dat ze daarbij ‘het grote bedrijfsleven’ niet uit het oog verliest.

Toch heeft ook Hoek – net als Jonker – een nieuwe economische orde voor ogen. Ze heeft het over een economie van morgen die een revolutie moet gaan zijn in duurzame én in economische zin. Eén waarin ondernemers vanuit integraal duurzame principes opereren en zo nieuwe ondernemerskansen creëren. ‘Het fenomeen duurzaamheid’, zo zegt ze, ‘is ontsproten aan de milieubeweging. Maar in het milieudenken is duurzaamheid voor bedrijven per definitie een kostenpost. Voor mij als ondernemer is duurzaamheid in eerste instantie niet aan kosten gekoppeld, maar aan opbrengsten. Het is een kans voor ondernemers om nieuwe producten te bedenken, nieuwe samenwerkingen te zoeken en nieuwe businessmodellen in de markt te zetten.’ En bij Hoek is daarin dus wel plaats voor grote ondernemingen. Ten minste, degenen die bereid zijn om eraan mee te doen.

Contouren

De gedroomde ‘integraal duurzame economie’ is in Hoeks ogen op drie niveaus circulair: ecologisch, sociaal en financieel. Maar waar de drie p’s zich bij de Brit vooral afspeelden binnen the world as we know it, weet Hoek met behulp van rijke casuïstiek daadwerkelijk de contouren van iets nieuws op te roepen.

Hoek probeert haar toekomstbeeld aantrekkelijk te maken voor haar ondernemer-lezer door ‘zeven vensters voor succes’ te schetsen. Zeven perspectieven op de gedroomde nieuwe economische orde zoals hierboven geschetst, waarmee ze de ondernemende klasse wil kietelen om de handschoen op te pakken. En het moet gezegd: dat doet ze met verve. Hoofdstuksgewijs behandelt ze haar zeven vensters: klant, innovatie, businesscase, schaalgrootte, value cycle, financiering en leiderschap. Een schijnbaar willekeurig rijtje, ongetwijfeld op opportunistische wijze tot stand gekomen. Maar in de uitwerking is zeer geslaagd.

Waarderingsmiddel

Zeer vermeldenswaard omdat er niet zo vaak over wordt geschreven in duurzame zin, is het hoofdstuk ‘financiering’, waarin de financiële sector een nieuwe, aanmerkelijk bescheidener rol krijgt toebedicht in het economisch proces dan ze de afgelopen twintig jaar heeft bekleed. In Hoeks woorden: ‘In de nieuwe economie slapen ‘geld’ en ‘reële waarde’ weer op één kussen; ze zijn opnieuw met elkaar verbonden. Geld krijgt hiermee zijn oorspronkelijke functie terug. Het is weer een waarderingsmiddel dat bestendige waardecreatie op de lange termijn mogelijk maakt.’ Dit in tegenstelling tot het credo ‘geld maken met geld’ waarmee de financiële sector zich sinds de jaren tachtig als een exponentieel groeiend, zelfreferentieel gezwel heeft weten te ontwikkelen.

Ondernemers in de nieuwe economie – aldus Hoek – vermijden zoveel mogelijk het gebruik van vreemd vermogen. Ze passen het heel bewust toe, op een wijze die daadwerkelijk waarde creëert. Ze reduceren daarom hun financieringsbehoefte door creatieve combinaties aan te gaan met bijvoorbeeld partijen die afzet garanderen, of waarmee ze producten of diensten kunnen ruilen. Vervolgfinanciering zoeken ze bij partijen die dicht bij hun doelstellingen staan en waar ze niet alleen funding maar ook kennis en ervaring kunnen vinden. Pas in de fase daarna kijkt de ondernemer naar de financiële mogelijkheden van de oude economie en maakt daaruit een welbewuste keuze voor de partij die – bijvoorbeeld voor internationalisering of snelle groei – de meeste meerwaarde biedt. Ze noemt deze financieringspiramide-in-drie-delen de Trias Pecunia. En voorbeelden van creatieve financieringswijzen heeft ze in overvloed, want sinds enkele jaren moeten ondernemers wel.

Groeien

Zo ontwikkelde de start-up Locarnation in samenwerking met haar potentiële klant, energienetwerkbedrijf Alliander, een smart grid technologie. Een investering van venture capital firma Yellow & Blue gaf net het zetje dat Alliander nodig had om zich als launching customer van Locarnation te laten vastleggen, wat weer tot gevolg had dat deze start-up nauwelijks aanvullende financiering nodig had om verder te kunnen groeien.

Een andere case is projectontwikkelaar OVG, dat een nieuw financieringsmodel voor de bouw van bedrijfspanden ontwikkelt, in samenwerking met kapitaalkrachtige leveranciers. Deze leveranciers leveren elk een onderdeel van het pand met de afspraak dat ze het over tien, twintig of dertig jaar weer ophalen. Gedurende die periode least OVG de onderdelen en betaalt de klant gewoon huur.

Hoek behandelt een baaierd aan nieuwe, opkomende financieringsvormen – crowdfunding, microkrediet, social media banking, flinqering en enkele aloude – zoals bartering dat aan een tweede jeugd is begonnen en de duurzame kant van het vaak zwaar bekritiseerde private equity. Gaandeweg begin je te geloven dat het mogelijk moet zijn: een financiële wereld die zich vanuit duurzaamheidsperspectief daadwerkelijk dienstbaar opstelt aan de ondernemer en veel intensiever dan voorheen betrokken is bij de waarde die hij creëert.

Rechtschapen idealisten

Inspirerend is het woord, hoewel we allemaal weten dat er nog heel wat water door de Rijn moet stromen voor de circulaire economie van Hoek en Jonker realiteit is. Wat Hoek betreft ligt de bal bij de entrepreneurs, aan wie ze haar slothoofdstuk over leiderschap wijdt. In haar visie worden alle ondernemers rechtschapen idealisten die hun plannen delen, van onkreukbare integriteit zijn en pas een deal sluiten als ze zeker weten dat de ander er ook beter van wordt.

Maar ligt bij diezelfde ondernemers – doorgaans mensen die vooral ook heel goed voor zichzelf kunnen zorgen – niet ook de grootste barrière? Hoek: ‘Er zijn maar heel weinig mensen die voldoen aan het profiel van de nieuwe leider zoals ik dat omschrijf. Maar een voorhoede van koplopers is wel degelijk in de geest van dat profiel bezig en een groeiend peloton is erdoor geïnspireerd. Uiteindelijk proberen we allemaal onszelf van onze beste kant te laten zien. Maar we zijn ook allemaal mensen.’ En daarmee raakt ze de spijker op z’n kop. Maar mochten we de circulaire economie niet van de grond krijgen: aan Marga Hoek – die haar boek overigens op 10 september zal dopen met een theatervoorstelling – zal het niet liggen.¶

Duurzaam, duurzamer… nieuws
15 april 2009 | Pierre de Winter

Vlak na elkaar en nog niet zo lang geleden verschenen: Duurzaam ondernemen van Marc J. Epstein (eind vorig jaar vertaald bij SDU) en Duurzamer ondernemen van FD-journaliste Marleen Janssen Groesbeek. Hoewel de titels anders suggereren en het leidend voorwerp bij beide hetzelfde is, hebben we het hier over twee zeer verschillende boeken.

Laten we met Epstein beginnen. Deze hoogleraar Managementonderzoek aan Rice University in Houston (hij is gastdocent geweest aan Stanford, Harvard en Insead) heeft met Duurzaam ondernemen zijn achttiende boek geschreven. Epstein wordt wereldwijd gezien als een expert als het gaat om het financieel mogelijk maken van en verantwoording afleggen over duurzaam ondernemen.

Bedrijven die duurzaam willen ondernemen moeten niet alleen de kosten, maar ook de winsten die ze daaruit halen op een verantwoorde manier in hun cijfers kunnen opnemen. Als het gaat om bijvoorbeeld energiebesparingen is dat niet zo moeilijk. Maar hoe meet je een aanmerkelijke imagoverbetering als je erin geslaagd bent een succesvol milieuvriendelijk product in de markt te zetten of wat meld je als je erin bent geslaagd de hoeveelheid giftig afval die je produceert te halveren?

Epstein is geen man van grote woorden en vergezichten. De verwoording van de noodzaak van duurzaam ondernemen komt aan het begin van zijn boek wel aan de orde, en laat hij verder graag aan anderen over. Maar wilt u als manager weten hoe je ‘operatie duurzaamheid’ in de boekhouding structureert en hoe je zorgt dat de cijfers de geleverde inspanningen en de behaalde resultaten op een transparante manier reflecteren, dan is Epstein uw man. Maar simpele kost is het niet. Aan multidimensionale schema’s geen gebrek. Dit boek is dan ook niet geschikt voor de lezer die meer te weten wil komen over duurzaamheid en op zoek is naar inspirerende voorbeelden. Pas als je zelf van plan bent een duurzame strategie vorm te geven, komen de grafieken, tabellen en andere cijfers op de op zich prima geschreven pagina’s tot leven.

Als geïnteresseerde leek kun je beter bij Marleen Janssen Groesbeek terecht. Deze FD-journaliste heeft zo langzamer hand een flink duurzaam oeuvre op haar naam staan. Duurzamer ondernemen is haar vijfde boek. In 2001 schreef ze met Maatschappelijk ondernemen als eerste Nederlandse journalist een boek over het onderwerp. Het was geen bestseller, maar het zette het onderwerp wel op de kaart. Vijf jaar en een enorme opgang van alles wat duurzaam heet te zijn later, besloot ze dat het tijd was voor een opvolger, die dus begin dit jaar is uitgekomen. ‘Boeken zijn net kinderen, ze laten zich niet dwingen’, schrijft ze verontschuldigend in het voorwoord.

Duurzamer ondernemen is een typisch journalistenboek. Janssen Groesbeek schrijft een stuk aantrekkelijker van Epstein, hoewel ook zij niet vaak is te betrappen op frivoliteiten. Haar boek laat zich lezen als een compleet overzicht van de stand van zaken op het gebied van duurzaamheid in Nederland. Van De Code Tabaksblat tot de vliegtaks, en van Cradle to cradle tot de moeilijke rol van Shell, het staat er allemaal in. In het hoofdstuk ‘Duurzame Dienstverlening’ komt zelfs de onfortuinlijke overname van krantenuitgever PCM door risicokapitalist Apax aan bod (voor wie twijfelt: niet duurzaam!), en achterin het boek worden we nog eens meegenomen door het woud aan groene keurmerken dat de markt terroriseert.

Weinig mensen hebben zo’n goed overzicht over het hele Nederlandse duurzaamheidveld als Janssen Groesbeek, wat in de meer dan 300 pagina’s die het boek telt tot uiting komt. Toch zou je willen dat ze af en toe het grote overzicht even loslaat en ons mee de diepte in neemt om een onderwerp werkelijk leven in te blazen. Helaas laat haar journalistieke overzicht dat niet toe.

Verder gaan de ontwikkelingen in duurzaamheidland momenteel zo snel dat zelfs dit enkele maanden geleden uitgekomen boek op een aantal punten alweer achterhaald is. Het percentage duurzame energie dat Nederland officieel produceert is geen 2,8 meer, maar 7,5. De vliegtaks waar ze een paragraaf aan besteedt, bestaat niet meer en Shell heeft zich ondertussen teruggetrokken uit het prinses Amalia windpark op de Noordzee.

Het is het soort details waar een auteur in de huidige dynamiek niet zo veel aan kan doen. En we willen het Marleen Janssen Groesbeek graag vergeven in ruil voor passages als deze: ‘Om een echte slag te maken op duurzaamheidgebied moet er zo langzamerhand een revolutie uitbreken. Bijvoorbeeld zo: bedrijven die in 2010 er niet in zijn geslaagd om minstens de helft van hun omzet uit duurzame producten te halen, moeten de helft van hun winst inleveren. Of de raad van bestuur krijgt een hele week een klas zesjarigen over de vloer aan wie ze moet uitleggen waarom zij zo slecht zorgt voor hun toekomst. Wie niet luisteren wil, moet maar voelen.’

Oproer in de C2C gelederen nieuws
3 maart 2009 | Pierre de Winter

Volgens advocaat Roger Cox moet de certificering van producten die volgens de Cradle to Cradle-filosofie ontworpen zijn, in publiek-private handen komen. C2C-bedenker Michael Braungart reageert: "Goed nieuws voor de control freaks: we zijn met een third party in gesprek."

Cox krijgt op de website duurzaamgebouwd.nl veel bijval voor zijn idee van Nederlanders die met C2C-projecten bezig zijn, maar wat vinden de bedenkers zelf van het Hollandse oproer? Is Michael Braungart ook gecharmeerd van het betoog van Cox?

"Weet je wat het probleem is?" zegt de chemicus, "Nederlanders zeggen graag ‘ja’, en dan komt even later de ‘maar’. Ik ben nog steeds blij verwonderd over de manier waarop ons concept in Nederland is ontvangen, maar ik word ook een beetje ongelukkig van de manier waarop steeds nieuwe bezwaren worden geuit, terwijl de taak - het ontwikkelen van producten die ‘ goed’ zijn in plaats van ‘minder slecht’ op zich al moeilijk genoeg is.

"Roger Cox heb ik anderhalf jaar geleden leren kennen, toen ik heb gesproken op zijn congres. Na dat congres heb ik al die tijd niets van hem vernomen - was-ie met andere dingen bezig - en nu is-ie blijkbaar terug. Ik begrijp niet waarom hij hier nu ineens mee komt."

Desalniettemin moet u er iets mee.

"Ja, we weten al langer dat deze kritiek bestaat. En dus zijn wij al een tijdje bezig om te kijken hoe we de control freaks van deze wereld tevreden kunnen stellen. We zijn in gesprek met een instantie die als onafhankelijke ‘third party’ moet gaan opereren."

Kunt u vertellen welke instantie dat is?

"Nee, dat kan helaas niet. Maar ik beloof u dat we er binnen drie à zes maanden nieuws over naar buiten brengen."

(In het artikel Duurzame onvrede meer achtergrond rond dit oproer en het volledige interview met Braungart.)

De gebruiksaanwijzing van Cradle to Cradle nieuws
28 april 2008 | Pierre de Winter

Afgelopen week/weekend in zowel HP/DeTijd als de Volkskrant een artikel over de duurzaamheidsfilosofie die Nederland hard aan het veroveren is: Cradle to Cradle (C2C). Venlo wordt C2C, Almere sinds enkele weken officieel ook. En al vorig jaar deed milieuminister Jacqueline Cramer de uitspraak dat Nederland het eerste land ter wereld zou kunnen worden met een C2C-economie.

Cradle to Cradle – van wieg tot wieg – is een visie voor een wereld zonder afval, bedacht door de Duitse chemicus Michael Braungart en de Amerikaanse architect William McDonough. Producten worden zo ontworpen en gefabriceerd dat ze aan het eind van hun levenscyclus volledig hergebruikt gaan worden. Gebouwen voorzien in hun eigen energiebehoefte en de samenleving functioneert als een kersenboom: al het afval is voedsel voor het systeem dat de boom in leven houdt. Krijgen we dat voor elkaar – zo zeggen de twee – dan kunnen we rustig blijven consumeren zoals we nu doen, want hoe meer afval, hoe meer voedsel voor weer nieuwe producten en zelfs voor de natuur. Zelf lieten ze zien hoe het moet: composteerbare t-shirts, recyclebare schoenen en bureastoelen en groener dan groene gebouwen ontwikkelden ze in samenwerking met grote bedrijven. En in China zijn ze met de ontwikkeling van zes ecologische steden bezig.

Een fraai, optimistisch verhaal dat eind 2006 via de VPRO-documentaire ‘Afval is voedsel’ in ons land insloeg als een bom. Op het web buitelen de C2C-initiatieven over elkaar heen, het aantal seminars en congressen erover loopt in de tientallen en als gezegd: de Nederlandse (lokale) overheid lust er wel pap van. De gemeente Haarlemmermeer bijvoorbeeld wil ook al een C2C-bedrijvenpark.

Maar langzamerhand komen ook de twijfels. In HP/DeTijd is te lezen dat ontwerpers en ondernemers op kleine schaal geestdriftig met het concept bezig zijn, maar er niet of nauwelijks in slagen tot resultaten te komen, omdat het vaak ingewikkeld is en behoorlijke investeringen vraagt. In de Volkskrant wordt de kritiek op het concept verwoord die met name in duurzaamheidskringen leeft. Vooral de claim van de twee dat we gewoon kunnen doorgaan met consumeren, wordt door de kritikasters als ‘onzin’ en ‘onverantwoordelijk’ afgedaan. Daarnaast zouden Braungart en McDonough te weinig hebben nagedacht over de vraag op wat voor beleid een overheid die daadwerkelijk geÑ—nteresseerd is in het realiseren van een C2C-economie, zou moeten inzetten.

Zo gaat dat dus met hypes - want dat er een C2C-hype gaande is, leidt geen twijfel. Na de euforie komen de vragen. En eigenlijk hebben Braungart en McDonough het allemaal aan zichzelf te danken. Van een groene chemicus en een groene architect zijn ze de laatste jaren geëvolueerd tot great communicators die de grenzen van hun respectievelijke vakgebieden allang overschreden hebben. Hun boek is radicaal, idealistisch en ook nog eens leuk geschreven. Beide zijn in staat volle zalen voor zich in te nemen en door de groene boodschap zo te brengen dat de mens niet ‘het probleem’ is maar ‘de oplossing’, hebben ze een enthousiasme losgemaakt waar ze waarschijnlijk zelf ook nooit op gerekend hadden.

Maar hoe meer aandacht ze voor hun gedachtegoed genereren en hoe meer ‘leken’ ze weten te enthousiasmeren, hoe vaker ze de vraag te horen zullen krijgen: ‘Waar vind ik de gebruiksaanwijzing?’

William McDonough, Michael Braungart
Cradle to cradle

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden