Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
Galerij der Groten - Erik Brynjolfsson: ‘We zijn pas op de helft van het schaakbord’ interview
28 november 2018 | Jeroen Ansink

Een zoon van een kernfysicus met een zwak voor het bedrijfsleven. Erik Brynjolfsson wil boven alles maatschappelijk relevant zijn, maar ontdekte al vroeg in zijn leven dat hij het schrijven over management interessanter vond dan het praktiseren ervan.

MIT-hoogleraar Erik Brynjolfsson doet al dertig jaar onderzoek naar de wisselwerking tussen technologie, productiviteit en werk. Soms ziet hij door de bomen zelf ook het bos niet meer. ‘Als de digitale revolutie morgen uitdooft, kunnen we nog decennia voortbouwen op de IT die we nu al hebben.’

Wie Erik Brynjolfssons 65 pagina's tellende cv bekijkt, zou bijna over het hoofd zien dat hij zijn loopbaan begon als ondernemer. De drie bedrijven die de 56-jarige managementhoogleraar na zijn studiejaren oprichtte zijn weggemoffeld onder aan het staatje ‘andere activiteiten’, alsof het een afterthought betreft. Toch hadden zijn startups met gemak kunnen uitgroeien tot serieuze spelers in de technologiewereld. Zo hield het kunstmatige-intelligentiebedrijf Foundation Technologies zich in de jaren tachtig al bezig met computersystemen die het besluitvormingsproces van menselijke experts nabootsen, en produceerde Magicware software voor het nog steeds populaire spel Dungeons and Dragons. Met zijn derde bedrijf schreef Brynjolfsson zelfs vijf patenten op zijn naam. Flexplay produceerde dvd’s voor huurfilms die na afloop niet meer bij de videotheek hoefden te worden teruggebracht. ‘Wie het wikkel opende kreeg 48 uur de tijd om te kijken,’ zegt Brynjolfsson vanuit zijn werkkamer op de MIT-campus, waar hij directeur is van zowel het Center voor Digital Business als het Initiative on the Digital Economy. Daarna zou de dvd zichzelf door middel van een speciaal digitaal en chemisch procédé automatisch vernietigen. Een beetje zoals de geheime opdrachten in de spionagefilm Mission Impossible, haha.’

Alledaags

De zoektocht naar praktische toepassingen voor zijn kennis laat zien dat Brynjolfsson altijd met één been in de samenleving is blijven staan. Als hoogleraar onderzoekt hij hoe informatietechnologie de productiviteit en de organisisatie van werk beïnvloedt, met MIT-collega Andrew McAfee ontsluit hij in boeken als Het tweede machinetijdperk en Machine Platform, Crowd zijn gedachtengoed voor een breed publiek, en in de schaarse uren die hem nog resten treedt hij nog steeds op als adviseur voor verschillende startups. Om nog te zwijgen van de pakweg 850 lezingen en presentaties die hij de afgelopen dertig jaar heeft gegeven aan een breed spectrum van ondernemingen en overheidsinstellingen, waaronder het Office of Science and Technology van het Witte Huis.

Het besluit om het bedrijfsleven te verruilen voor een bestaan als academicus was niet ingegeven door een gebrek aan succes: Brynjolfsson zou misschien nog steeds ondernemer zijn als hij het runnen van een bedrijf naar eigen zeggen niet, tja, ‘verschrikkelijk alledaags’ zou vinden. ‘Managen wordt al snel routinewerk, en ik wilde juist meer de diepte in. Mijn aanvankelijke plan was om eerst mijn PhD te halen en met mijn opgedane kennis terug te keren naar een onderneming. Maar na een paar jaar realiseerde ik me dat onderzoek toch mijn voorkeur genoot.’

Sweet spot

Gezien zijn achtergrond was een carrière in de exacte wetenschappen eigenlijk geen verrassing: zijn IJslandse vader was een hoog aangeschreven kernfysicus die nog met de beroemde kwantummechanicus Niels Bohr had gewerkt. ´Hij vond het fantastisch om aan de dinertafel over zijn werk te vertellen,´ zegt Brynjolfsson, die op driejarige leeftijd vanuit Denemarken naar de Verenigde Staten kwam, waar Brynjolfsson senior was benoemd tot hoofd van de US Army Radiation Facilities. ‘En toen de personal computer op de markt kwam waren wij zo'n beetje het eerste gezin dat er een aanschafte.’

Hoewel zijn vader hem aanmoedigde om in zijn voetsporen te treden, ervoer Brynjolfsson, die zich op de middelbare school al verdiepte in filosofie en de sociale wetenschappen, zijn vaders vakgebied als ‘te beperkt’. Hij switchte naar de toegepaste wiskunde waarmee hij naar zijn gevoel een grotere impact kon maken op de maatschappij. In de economische wetenschappen vond hij uiteindelijk zijn sweet spot: ‘Dat was het veld waarin ik de precisie van de informatica kon combineren met de relevantie van de sociale disciplines.’

Vanuit deze invalshoek zag Brynjolfsson al ver voordat de internetrevolutie nog maar een stipje op de radar was dat de wereld enorme veranderingen te wachten stonden. ‘In mijn eerste semester als student-promovendus kreeg ik de opdracht om te catalogiseren hoeveel geld er in de Verenigde Staten werd uitgegeven aan IT. Dit was halverwege jaren tachtig, en intuïtief voelden we al aan dat er sprake was van een stijgende trend. Maar het resultaat verbijsterde zelfs mijn belegeiders: het bleek dat elke mogelijke sector hierin een exponentiële, bijna verticale groeicurve vertoonde. Dat was voor mij het moment om mijn onderzoek te wijden aan de digitalisering van de economie, een reis die tot op de dag van vandaag voortduurt.’

Inmiddels gaan de ontwikkelingen zo hard dat het zelfs voor Brynjolfsson soms moeilijk is om door de bomen het bos nog te zien. ‘Het proces verloopt nog steeds exponentieel, en we hebben geen enkel zicht op waar dat uiteindelijk toe zal leiden. De futurist Ray Kurzweil vergeleek het ooit met het plaatsen van een rijstkorreltje op een schaakbord, waarbij je die hoeveelheid bij elk vakje verdubbelt. Maar weinig mensen beseffen dat de berg rijst die je bij het 64e vakje krijgt zo hoog is als Mount Everest.’

Hoewel we ons momenteel pas op de helft van het schaakbord bevinden (vergelijkbaar met een paar vrachtwagens vol rijst) heeft de techniek al de grens gepasseerd van wat het bedrijfsleven nog kan absorberen, aldus Brynjolfsson. ‘We zijn getuige van de meest buitengewone innovaties, of het nu gaat om zelflerende computers, virtuele werkelijkheid, of de opkomst van de crowd. Maar het blijft een punt dat organisaties maar langzaam veranderen, en dat de menselijke vaardigheden nog ver op de ontwikkelingen achterlopen. Dát is momenteel de bottleneck.’

De mismatch is volgens Brynjolfsson zo groot dat als de digitale revolutie van de een op de andere dag zou uitdoven, we nog decennia kunnen voortbouwen op de IT die we nu al hebben. Dat biedt enorme kansen voor organisaties die voor de troepen durven uit te lopen, al is daar meestal wel een denkomslag voor nodig. ‘Het aanschaffen van een nieuw IT-systeem is slechts het begin. Managers moeten zich realiseren dat ze vervolgens vaak vijf jaar nodig hebben en misschien tien keer zoveel geld moeten investeren om er ook echt waarde uit te halen. Dat lukt bovendien alleen als je het aanpassingsvermogen van je organisatie dramatisch weet te verbeteren.’

Brynjolfsson adviseert bestuurders dan ook om in de eerste plaats te streven naar een experimentele, data-gedreven bedrijfscultuur. Bijvoorbeeld door zich op te stellen als een wetenschapper en de zogeheten A/B test in te voeren, een methode om op basis van een hypothese te onderzoeken wat de efficiëntste van twee mogelijkheden is. ‘Als je dat systematisch doorvoert, kun je enorm veel te weten komen over het optimaliseren van je bedrijfsvoering, of het nu gaat om het timen van een nieuw product, de manier waarop je mensen aanneemt, of het managen van je geldstromen. En er zijn momenteel zoveel data beschikbaar dat bestuurders zonder veel extra kosten de gevolgen van hun beslissingen bij wijze van spreken in real time kunnen volgen.’

Regeldruk

Kijkend naar het grote plaatje waarschuwt Brynjolfsson er echter wel voor dat de vooruitgang die bedrijven met IT kunnen boeken weer net zo makkelijk ongedaan gemaakt kan worden door een terughoudende overheid. Dat geldt vooral voor de Europese Unie, waar de regeldruk volgens hem nu al een negatieve invloed heeft op de economische groei. ‘Telkens als ik er ben, sta ik er weer van te kijken hoezeer innovatie de kop wordt ingedrukt. Zo is het in veel landen praktisch onmogelijk om een Uber te bestellen, en wordt een bedrijf als Amazon nog steeds geknecht door een vaste boekenprijs. Verandering is altijd pijnlijk, maar wie het verleden beschermt tegen de toekomst trekt op de lange termijn altijd aan het kortste eind.’ Brynjolfsson ziet een lichtpuntje in zijn geboorteland Denemarken, dat een stevig sociaal vangnet heeft en bedrijven tegelijkertijd de flexibiliteit geeft om mensen waar nodig zonder rompslomp te ontslaan. ‘Die arbeidsdynamiek beweegt zich al aardig in de richting van de Verenigde Staten. Maar het continent in zijn geheel heeft nog een lange weg te gaan.’

Autocratie

Toch is Brynjolfsson de eerste om toe te geven dat de EU zelfs in haar meest bedrijfsvriendelijke vorm niet zal kunnen concurreren met een land als China dat privacy-, copyright-, milieu-, en andere wetten die wij voor vanzelfsprekend aannemen doodleuk aan zijn laars lapt. ‘De vraag voor de toekomst is dan ook hoe de voortschrijdende technologie het ondernemingsklimaat op macroniveau zal vormgeven. In de twintigste eeuw zagen we een strijd tussen de gedecentraliseerde vrije markten van het Westen en de overheidsgedreven planeconomie van de Sovjet-Unie. We hadden destijds het geluk dat we niet hoefden te kiezen tussen vrijheid en economische groei. Die twee factoren gingen immers hand in hand.’

 

Maar in deze eeuw zou die dynamiek wel eens heel anders kunnen uitpakken, aldus Brynjolfsson. ‘De combinatie van kunstmatige intelligentie, big data en miniscule digitale camera's geeft een autocratie enorme mogelijkheden om mensen in een bepaalde richting te sturen. Een van de grote uitdagingen voor managers, ondernemers en economen als ik is dan ook of we een systeem kunnen verzinnen waarin niet alleen onze grondrechten zijn gegarandeerd, maar dat ook een grotere innovatiekracht heeft dan een centraal geleide economie.’ In principe zou het Westen die uitdaging moeten aankunnen, aldus Brynjolfsson. ‘Per slot van rekening zijn liberale culturen waarin onafhankelijk denken wordt aangemoedigd daar altijd beter in geweest. Maar die uitkomst is zeker niet gegarandeerd.’

Andrew McAfee: ‘De beste leiders in het AI-tijdperk stappen opzij’ interview
20 augustus 2018 | Jeroen Ansink

Managers moeten kunstmatige intelligentie niet vrezen, maar juist omarmen, zegt AI-denker Andrew McAfee. Waar machines superieur zijn in het maken van rationele afwegingen, zijn er nog genoeg taken die alleen mensen kunnen uitvoeren. ‘Ik ben een uitgesproken optimist.’

Andrew McAfee kan zich nog precies herinneren wanneer zijn fascinatie voor technologie werd gewekt. Zijn vader werkte als appelboer in Indiana het liefst met zijn handen, maar zijn moeder besloot toen hij nog een klein jongetje was om terug naar school te gaan. ‘Ze volgde een boekhoudcursus en kwam op een dag thuis met een doos vol met ponskaarten. Daarmee kun je een computer programmeren, vertelde ze, een machine die namen en adressen kan uittypen. Dus een schrijfmachine, zei ik. Ja ongeveer, antwoordde ze, maar je kunt een computer ook vertellen om die namen te alfabetiseren. Dus een computer is een typemachine die dingen op volgorde kan zetten, concludeerde ik, maar dat bleek de lading óók niet te dekken. Dat gesprek met mijn moeder staat me bij als de dag van gisteren. Ik was meteen geïntrigreerd, al was het me nog niet helemaal duidelijk waardoor precies. En tot op zekere hoogte probeer ik die vraag nog steeds te beantwoorden.’

Ondanks die lacune heeft McAfee (1967) zich inmiddels ontwikkeld tot een van ‘s werelds meest toonaangevende stemmen op het gebied van robotica en informatietechnologie. Als hoogleraar aan het Massachusetts Institute of Technology geeft hij niet alleen leiding aan het onderzoekscentrum MIT Initiative on the Digital Economy maar speelt hij ook een belangrijke rol bij het ontsluiten van zijn vakgebied voor een algemeen publiek. Boeken als Race against the machine, Het tweede machinetijdperk en Machine, Platform, Crowd kregen stuk voor stuk een bestseller-status en leverden hem met co-auteur en MIT-collega Erik Brynjolfsson zowel een notering op in de Thinkers 50 van belangrijkste managementdenkers, als in de Politico 50 groep mensen die de Amerikaanse politiek transformeren.

AI-winter

McAfee's tienerjaren waren een gouden tijd voor computerliefhebbers: de Apple II kwam in juni 1977 op de markt, de TRS-80 van Tandy volgde twee maanden later, en met de Commodore PET, die in oktober van dat jaar werd geïntroduceerd, barstte de pc-revolutie pas echt los. Op het gebied van artificiële intelligentie (AI) stonden de sterren echter een stuk minder gunstig. Na een veelbelovende start in de jaren vijftig waren de optimistische voorspellingen flink teruggeschroefd en de budgetten zo goed als bevroren. ‘Mijn studiejaren vielen precies samen met het dieptepunt van de AI-winter,’ zegt McAfee vanuit zijn werkkamer op de MIT-campus. ‘Ik had natuurlijk wel van kunstmatige intelligentie gehoord, maar ik ging me er pas relatief laat in mijn carrière mee bezighouden. Eigenlijk pas toen ik begon te horen over zelfrijdende auto's en systemen die op basis van deep learning foto's konden herkennen. En toen een computer de menselijke kampioen wist te verslaan bij Go, het moeilijkste bordspel ter wereld, werd het me duidelijk dat er écht iets bijzonders aan de hand was. Zelfs in de meest rooskleurige scenario's had het nog een hele tijd moeten duren voordat een zelflerende machine zo'n grote prestatie zou kunnen leveren.’

Terugblikkend ziet McAfee drie redenen waarom kunstmatige intelligentie in zo'n enorme stroomversnelling is gekomen. ‘De belangrijkste verklaring is dat AI een oceaan aan rekenkracht behoeft. Die was dertig jaar geleden ofwel onbereikbaar, ofwel veel te duur. Maar dankzij de Wet van Moore, die voorspelt dat het aantal schakelingen op een chip elke achttien maanden verdubbelt, hebben we die computerkracht inmiddels wél. Daarnaast heb je massa’s data nodig, wat perfect bleek samen te vallen met de opkomst van de smartphone. En tenslotte was de AI-revolutie niet mogelijk geweest zonder een leger aan briljante wiskundigen dat zijn talenten begon los te laten op baanbrekende nieuwe algoritmes.’

Behelpen

Als wetenschapper ziet McAfee de ontwikkelingen als geschenk uit de hemel: ‘Technologische revoluties als deze komen misschien maar eens in de eeuw voorbij. Ik had sowieso geluk met mijn timing. Ik behaalde mijn doctorsgraad in 1994, net toen het internet en het world wide web begonnen op te komen. Maar kunstmatige intelligentie gaat pas écht een impact hebben. Het is duizelingwekkend hoe het domein ineens van alle kanten opbloeit, of het nu gaat om nieuwe computersystemen, quantum chips, het ontstaan van deep learning, reinforcement learning, unsupervised learning... En nu ondernemingen als Google, Amazon, Facebook en Apple AI en machineleren in hun producten zijn gaan verwerken is het hek helemáál van de dam.’

McAfee's onderzoeksgebied groeit zo snel dat zelfs een interpretatief wetenschappelijk kader ontbreekt. Om de ontwikkelingen enigszins te kunnen duiden bedient hij zich van een interdisciplinaire aanpak die niet alleen put uit de computerwetenschappen, informatica, en economische geschiedenis, maar ook gebruik maakt van inzichten uit de gedragseconomie en de cognitieve psychologie. En zelfs dan blijft het behelpen: ‘AI is van een totaal andere orde dan voorgaande technologische doorbraken. Voor het eerst in de geschiedenis heeft de mensheid te maken met een andere vorm van intelligentie. Dat opent een grenzeloze nieuwe wereld.’ Zo zullen we om te beginnen niet langer worden beperkt door het incrementele karakter van de wetenschap: ‘Pathologen die zich al jaren het hoofd breken over hoe een kankercel preceis groeit kunnen straks al hun data in een machine dumpen met de vraag: wat zie jij? De computer zal vervolgens patronen herkennen waar zij nooit van hun leven op zouden zijn gekomen.’

Maar AI introduceert daarnaast ook een element van onzekerheid, aldus McAfee. ‘Geen enkele intelligentie is perfect. Zelfs de meest geavanceerde computers zullen fouten maken, al zullen die fundamenteel anders zijn dan die van ons. Is het mogelijk om daarop te anticiperen, en hoe kunnen we de menselijke intelligentie laten aansluiten op die van de machine, zodat we straks het beste uit twee werelden kunnen halen? Dat zijn nu de grote vragen.’

Massaslachting

McAfee heeft ‘geen idee’ wat voor gevolgen dit precies zal hebben voor het bedrijfsleven, een sentiment dat hij deelt met het gros van zijn collega-wetenschappers. ‘Op maatschappelijk gebied zie je nu al onverklaarbare dingen gebeuren. In de Verenigde Staten en Europa blijkt een groeiende economie zich bijvoorbeeld nog niet te vertalen in hogere lonen, terwijl je dat op basis van eerdere succesperioden wel zou verwachten. Amerika vertoont daarnaast het vreemde fenomeen dat steeds meer mannen tussen de 25 en 64 aan de zijlijn staan, en niet eens de moeite nemen om een baan te vinden. Dus er is duidelijk iets aan de hand.’

Onduidelijk is ook hoeveel sectoren door deze nieuwe ondernemingsmodellen uiteindelijk getransformeerd zullen worden. ‘In eerdere technologische revoluties zag je dat ondernemingen die de transitie inluidden niet dezelfde waren die uiteindelijk zegevierden. Zal dat nu ook het geval zijn, of werken bedrijven als Apple, Google, Facebook en Amazon aan een blijvende voorsprong?’

McAfee drukt leiders dan ook op het hart om lering te trekken uit het verleden en het onmogelijke voor mogelijk te houden. ‘De grootste fout die je als leider kunt maken, is denken dat je maar één ding in je organisatie hoeft te veranderen en dat alles vervolgens wel op zijn pootjes terecht zal komen. Die mentaliteit leidde in de eerste helft van de twintigste eeuw tot een massaslachting onder stoomfabrieken. Veel eigenaren zagen elektriciteit slechts als een meer efficiënte energiebron, en besloten simpelweg om hun oude machines aan te sluiten op het hoogspanningsnet. Ze konden zich gewoon niet voorstellen dat de technologie gebruikt zou worden om elke handeling in het productieproces van een eigen apparaat te voorzien. Daarom bleven zij achter met een hopeloos verouderde fabriek, terwijl pioniers als Henry Ford de lopende band uitvonden.’

Experimenteren

Eén ding heeft de voortschrijdende AI-revolutie volgens McAfee nu al duidelijk gemaakt: we zullen nooit meer een stabiele middenklasse hebben die zich bezighoudt met routinewerk. Elke voorspelbare handeling, of het nu gaat om diensten van accountants, het stellen van een diagnose, of het opstellen van contracten zal worden geautomatiseerd. Ook managers zullen hun takenpakket kritisch tegen het licht moeten houden, zegt McAfee. ‘Veel leiders denken nog steeds dat het beoordelen van ideeën een primaire verantwoordelijkheid is, maar machines zijn inmiddels veel beter in het maken van rationele afwegingen dan mensen. Maar wat nog niet in een algoritme gevangen kan worden, zijn vaardigheden als coaching, motiveren en coördineren. De beste leiders in het AI-tijdperk stappen opzij, zodat hun mensen de vrijheid krijgen om te experimenteren. Ze hebben geen problemen met mislukkingen - zolang die uiteraard niet fataal zijn, en de organisatie ervan kan leren.’

Dit laat onverlet dat de komende tien tot twintig jaar waarschijnlijk miljoenen professionals hun baan zullen verliezen zonder dat duidelijk is wat daar precies voor terugkomt. ‘Dat is inderdaad een uitdaging. Maar daar staat tegenover dat de samenleving in haar geheel er alleen maar beter op wordt. We leven langer en gezonder, we gebruiken steeds minder grondstoffen, in het Westen komt de natuur weer terug en mensen hoeven hun dagen niet meer te vullen met geestdodend werk. Ik ben een uitgesproken optimist.’

En de opkomst dan van populisten die niet alleen terug willen naar de goede oude tijd maar zich ook actief keren tegen de wetenschap, logisch denken en zelfs de feiten? McAfee slaakt een zucht. ‘Demagogen winnen terrein omdat ze een simpele verklaring hebben voor complexe problemen. Daar moeten we als academici en opinieleiders een beter verhaal tegenover stellen. Ook dat is een menselijke vaardigheid. Als het ons niet lukt om de vruchten van de AI-revolutie in goede banen te leiden, is dat onze eigen fout.’

Op 22 november 2018 organiseert Managementboek het seminar 'Algoritmen als drivers of change' met sprekers zoals Jim Stolze, Jarno Duursma, Richard van Hooijdonk & Patrick van der Pijl. 

Computers en arbeidsproductiviteit nieuws
12 december 2017 | Ger Post

Dat computers banen gaan overnemen omdat ze veel efficiënter en productiever zijn, lijkt helder. Maar auteurs trekken juist die productiviteit in twijfel.

Computers gaan onze banen overnemen. En als je niet bijzonder hoog opgeleid of begaafd bent, zoals miljoenen mensen wereldwijd, dan zou dat wel eens heel snel kunnen gebeuren. We staan namelijk nog maar aan het begin van deze revolutie, stellen Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee in de bestseller Het tweede machinetijdperk. ‘Vanaf nu wordt de verandering pas echt duizelingwekkend. En het is aanpassen of verliezen.’

Een reden waarom computers banen overnemen, is dat ze productiever zijn. Dankzij de robots wordt met steeds minder werknemers steeds meer geproduceerd. Althans, sinds de millenniumwisseling. Zoals uit de productiviteitscijfers in de Verenigde Staten tussen 1947 en 2011 blijkt, is de stijging in productiviteit van vrij recent. Tot het jaar 2000 gingen productiviteit en werkgelegenheid gelijk op, hetgeen de bekende econoom Robert Solow typeerde als: ‘Je kan het computertijdperk overal zien, behalve in de productiviteitscijfers.’

Maar sinds de millenniumwisseling is het computertijdperk ook in de cijfers te zien. Althans in de grafieken die Brynjolfsson en McAfee aanhalen: de productie neemt toe, terwijl het aantal werknemers stagneert. Dit wordt ook wel ‘The Great Decoupling’ genoemd en volgens Brynjolfsson en McAfee zorgt dit er in de nabije toekomst voor dat technologische werkeloosheid de kop op zal steken.

‘Ik geloof er geen flikker van dat robots onze banen gaan overnemen.’ Aldus Ewald van Engelen in zijn column voor De Groene Amsterdammer. Een van de redenen die hij geeft voor zijn ongeloof in de overname van de machines is ‘het prachtige boek van Robert Gordon. In The Rise and Fall of American Growth laat hij zien dat de nieuwe interneteconomie een hype is.’ In het boek wordt gesteld dat computer en web niets hebben bijgedragen aan arbeidsproductiviteit. Van Engelen: ‘Sterker: de stijging van arbeidsproductiviteit is lager dan ooit. Wel eraan bijgedragen hebben waterleiding, riolering, gas, telefoon en wegennet. Die zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het leeuwendeel van de welvaartsstijging van de afgelopen anderhalve eeuw.’

Van Engelen: ‘Internet, smartphones, Silicon Valley, Google, Amazon, Apple, Microsoft: ze zijn in de statistieken niet terug te vinden. Geen wonder, ze maken niets, leiden ons alleen maar af, en kosten vreselijk veel tijd. Om met de antropoloog David Graeber te spreken: het internet is een veredeld postorderbedrijf. Gordon eindigt zijn magnum opus dan ook met een somber hoofdstuk over onze toekomst, getiteld ‘de grote stagnatie’.’

Wat vooral uit de discussie naar voren komt, is dat economen op zoek zijn naar een goed meetinstrument om te achterhalen wat de impact is van een innovatie op ons leven. Gordon gebruikt de Total Factor Productivity (TFP), dat gebaseerd is op het bruto nationaal product maar dat ook rekening houdt met het aantal uur dat we werken en de technologie die we gebruiken. Zoals Bill Gates in zijn bespreking van het boek van Gordon opmerkt: ‘Hoewel economische metingen als TFP handig kan zijn om de impact van een tractor of een koelkast te begrijpen, zijn ze veel minder handig in het begrijpen van de impact van Wikipedia of Airbnb.’

Redactioneel - Tijdgeest column
28 november 2017 | Pierre Pieterse

‘Managementboeken geven heel goed een tijdsbeeld weer. Zo moet je ze eigenlijk ook lezen. Als je een lijst van alle nieuwe managementboeken scant, zie je heel goed een ontwikkeling.

Over honderd jaar zullen historici aan managementboeken kunnen zien wat er leefde in onze maatschappij,’ zegt Gyuri Vergouw elders in dit nummer naar aanleiding van zijn nieuwe boek De managementmonologen. Net zoals de tijdgeest muziek laat rocken, zo laat de managementliteratuur de organisatiemores en zelfs de stand van de maatschappij klinken. Van blues naar rock naar de opstandige sixties, flower power culminerend in elektronische rock, bruusk opzij gezet door rauwe punk gevolgd door new wave, uitmondend in ‘whatever’. En van saaie boekhoudkunde en elementaire economie naar semi-academisch management, van strategie naar executie, van leiderschap naar coaching, van Rijnlands/Angelsaksisch naar VUCA, van broedplaats naar startup, van hiërarchie naar zelfsturing.

Het klinkt verleidelijk logisch, maar is het daarom ook zo? Wat zeker klopt, is dat organisaties de laatste tijd van de ene hype naar de andere nieuwigheid hobbelen. Maar het is maar de vraag of organisaties al veranderend de tijdgeest weergeven of dat organisaties gewoon bedachte constructies laten doorklinken. Want het is een publiek geheim, nou ja, alleen bekend bij insiders, dat het in de VS de ‘editors’ zijn die bepalen welke thema’s helemaal ‘hot’ zijn of gaan worden. En aangezien de VS toch wel de ultieme broedplaats is voor de mondiale management thematiek, wordt daar ook voor Europa en Nederland bepaald wat er maatschappelijk en organisatorisch leeft.

Bij ‘editors’ moet je trouwens niet denken aan de Hollandse redacteur, in vergelijk met zijn Amerikaanse tegenhanger is dat slechts een krullenraper. De Amerikaanse redacteur management is een heuse top dog die op ‘executive’ niveau werkt bij toonaangevende en toonzettende vakbladen en uitgeverijen. Mensen die aan tafel schuiven bij CEO’s en topconsultants.

En nu heb ik me laten vertellen dat die editors hun oor nogal eens te luisteren willen leggen bij advieskantoren, om de meest nijpende problemen te vernemen. En natuurlijk de oplossingen die vervolgens worden gepubliceerd. Een klassieke win/win-situatie. Maar of daarmee de tijdgeest wordt weergegeven, is maar even de vraag. Want laten we wel wezen, zo veel is er nou echt niet veranderd de laatste decennia. Wat toen hyperturbulentie heette, staat nu te boek als VUCA, de lerende organisatie werd ‘education permanente’ en dat kennen we nu weer als de lerende organisatie. En Vergouw weet dat natuurlijk ook: ‘Agile is op zich niks nieuws. Alexander de Grote en Napoleon waren eveneens agile. Hun wendbaarheid leverde militaire zeges op.’ Waarmee hij impliciet zijn eigen stelligheid wat afzwakt. Dat is overigens geen reden om deze titel terzijde te leggen. Allerminst eigenlijk. En niet omdat het een accurate stand van toen geeft, maar omdat deze reis door jaren aan management een constante Aha-Erlebnis is, en daarmee zo heerlijk de ‘hyperigheid’ relativeert. Iets dat de huidige tijdgeest zo enorm ontbeert.

En oplossingen voor wat er echt toe gaat doen, de toekomst dus, heeft eigenlijk niemand. Andrew McAfee, coauteur van het belangrijke Het tweede Machinetijdperk en het recente Machine, Platform, Crowd, beschrijft die tijdgeest als volgt: ‘Ik zou zeggen: bereid je voor op een science fiction-economie. Ik zie elke dag voorbeelden van de meest onwaarschijnlijke ontwikkelingen die werkelijkheid worden.’

Harvest - September 2017 nieuws
12 september 2017 | Jeroen Ansink

Wat leest Amerika en wat waait waarschijnlijk over naar Nederland? 'Onze man in de VS' Jeroen Ansink doet maandelijks een rondje boekwinkels in New York.

Op vijftien september is het negen jaar geleden dat zakenbank Lehman Brothers failliet ging en bijna de hele financiële wereld in haar kielzog meesleepte. De daaruit voortvloeiende kredietcrisis leidde alleen al in de Verenigde Staten tot een strop van dertienduizend miljard dollar, die voor een belangrijk deel voor rekening kwam voor pensioenfondsen, kleine beleggers en de belastingbetaler. De verantwoordelijke partijen vertoonden alle tekenen van crimineel gedrag, maar tot op de dag van vandaag is geen enkele bankier persoonlijk aangeklaagd, laat staan veroordeeld. De volkswoede over dit spectaculaire gebrek aan rekenschap duurt nog steeds voort, en is zelfs een factor in de opkomst van populisten als Donald Trump, stelt Jesse Eisinger in The Chickenshit Club.

Amerika's houding ten opzichte van financiële fraude is niet altijd zo soft geweest, betoogt de Pulitzer prijs-winnende journalist in zijn biografie van het Department of Justice. Zo werd witteboordencriminaliteit eind vorige eeuw bijna net zo hard aangepakt als georganiseerde misdaad. De kentering kwam na de ondergang van de sjoemelende energiereus Enron en de noodlottige strafzaken tegen huisaccountant Arthur Andersen, die de fraude op zijn minst oogluikend had toegestaan. Critici fulmineerden dat de overheid haar hand had overspeeld door een gerenommeerd bedrijf kapot te laten gaan omwille van een paar rotte appels. In de daaropvolgende jaren werd de DoJ langzaam maar zeker overgenomen door wat voormalig FBI-directeur James Comey ooit omschreef als de Chickenshit Club: risicomijdende carrièrejagers die de zekerheid van een schikking verkiezen boven de onvoorspelbaarheid van een complexe en slepende rechtszaak.

Voor foute banken zijn geldstraffen daarmee een onkostenpost geworden. Toen HSBC vijf jaar geleden werd aangeklaagd voor het witwassen van miljarden dollars voor Mexicaanse drugskartels voldeed een 'sorry' van de CEO en een boete van twee miljard dollar, het equivalent van vier weken winst. Eisinger eindigt zijn boek met sombere noot: het DoJ van president/zakenman Donald Trump, die inmiddels zélf onderwerp is van een crimineel onderzoek, toont geen enkele ambitie om het tij te keren. De komende jaren zal too big to fail waarschijnlijk synoniem blijven aan too big to jail.

In Het tweede machinetijdperk (2014) schetsten MIT-wetenschappers Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee een somber toekomstscenario voor de kenniswerker. Cognitieve routineklussen, zo voorspelden ze, komen op niet al te lange termijn volledig voor rekening van robots, die daarmee hele beroepsgroepen uit de markt zullen prijzen. In Machine, Platform, Crowd beschrijft het duo hoe de voortschrijdende automatisering binnenkort ook de top van het bedrijfsleven zal opschudden. CEO's zullen weliswaar niet overbodig worden, maar dienen zich wel te realiseren dat er grenzen zijn aan hun expertise en beoordelingsvermogen, en zullen in bepaalde gevallen hun beslissingen moeten delegeren aan - of op zijn minst delen met - machines.

Deze trend wordt voortgestuwd door drie ontwikkelingen. De eerste is kunstmatige intelligentie, die op bepaalde terreinen nu al superieur is aan het menselijk denkvermogen. Machines hebben geen last van cognitieve illusies, zoals confirmation bias, achterafkennis en verliesaversie, en zijn daardoor beter in het nemen van puur rationele besluiten.

Managers zullen zich daarnaast moeten aanpassen aan wat de auteurs omschrijven als 'platform economics': marktplaatsen waarin virtuele spelers zonder fysieke bezittingen een (bijna) monopolie-positie kunnen innemen, of het nu gaat om taxi-app Uber, verhuurderssite Airbnb, of computerbedrijf Apple, wereldleider als het gaat om de distributie van apps.

Brynjolfsson en McAfee wijzen tenslotte op de verschuiving die plaatsvindt van de kern naar de crowd. Het succes van virtuele samenwerkingsverbanden zoals het open source-besturingssysteem Linux en de online encyclopedie Wikipedia laten zien dat organisaties niet centraal hoeven te worden aangestuurd, maar autonoom kunnen groeien.

Deze ontwikkeling zaagt zelfs aan de stoelpoten van de onderneming als drijvende economische kracht. De Britse denker Ronald Coase opperde zo'n tachtig jaar geleden dat bedrijven bestaan naarmate hun interne transactiekosten lager zijn dan het verrichten van transacties in de open markt. Digitale technologieën hebben in ieder geval de interactiekosten al tot een minimum teruggebracht, wat ruimte schept voor informele groepen die meer risico's kunnen nemen. Innovatie wordt daarmee steeds meer een kwestie van inkopen, zoals Google, Apple en Facebook al lijken te beseffen: zij namen tussen 2011 en 2016 gezamenlijk meer dan driehonderd startups over.

Potentiële strubbelingen met machines en kunstmatige intelligentie vormen niet de enige kopzorg voor CEO's in het digitale tijdperk. Een ander probleem is de toenemende concurrentiedruk van directe rivalen. Nu internettechnologieën zich niet meer exclusief richten op het omzetten van informatie, maar steeds dieper doordringen in de fysieke wereld, moeten zelfs de meest conservatieve sectoren zich opmaken voor een digitale metamorfose om te overleven.

Dit is enkel mogelijk als de CEO die transformatie volledig omhelst, schrijven McKinsey-partners Jürgen Meffert en Anand Swaminathan in het handboek Digital@Scale. Anders dan veel topmanagers denken is digitaliseren niet alleen een kwestie is van een nieuwe ICT-infrastructuur, maar vereist het een compleet nieuw ondernemingsmodel dat direct op grote schaal moeten worden doorgevoerd. Stapsgewijze veranderingen zijn een recept voor mislukking, niet alleen omdat de zakenwereld daar te snel voor gaat, maar ook omdat een incrementele aanpak vaak niet bij machte is om interne bedrijfsprocessen blijvend te doorbreken.

Aan de hand van vijftig case studies beschrijven Swaminathan en Meffert hoe 's werelds grootste bedrijven die transformatie hebben doorgemaakt. Het Chinese staalbedrijf Baosteel bijvoorbeeld, vond zichzelf opnieuw uit met een online marktplaats. Wat begon als een extra distributiekanaal voor eigen fabrikaat groeide binnen drie jaar uit tot een platform waarop niet alleen aanverwante diensten zoals logistiek en financiering verkrijgbaar zijn, maar ook producten van concurrenten. De internetmarkt heeft inmiddels een omzet van meer dan 800 miljoen dollar.

Digital@Scale blijkt daarnaast ook relevant voor ondernemingen die al jaren een digitale strategie hebben, maar daar nog een schepje bovenop willen doen. Zo beschrijven de auteurs hoe ING Nederland in 2015 overstapte op agile werken, door haar organisatiemodel volledig om te vormen in kleine, zelfsturende teams met een gezamenlijk bepaald doel. Dankzij deze manier van werken kan de bank op een makkelijke manier, en met snelle online feedback van de klant, nieuwe producten ontwikkelen.

Ethische vraagstukken bij robotica nieuws
12 juni 2017 | Bertrand Weegenaar

In diverse vormen en gedaanten integreren robots in onze samenleving. We kennen ze uitvoerig als onderdeel in het fabrieksprocessen. Maar inmiddels hebben sociale robots hun intrede gedaan als gids in musea, of als hulp voor reizigers op vliegvelden. Ze zijn steun en toeverlaat in de ouderenzorg en helpen kinderen om Engels te leren. In Robot aan het stuur stelt auteur en filosoof Jochanan Eynikel een reeks vragen over hoe we met deze ontwikkelingen moeten omgaan.

Robots in de definitie van Eynikel zijn ‘machines of virtuele toepassingen die op basis van programmering of zelflerende technieken mechanische en/of intellectuele handelingen automatiseren’.

Rol van technologie
De rol van techniek op onze samenleving is een oud discussiepunt. De laatste decades hebben auto’s en vliegtuigen onze mogelijkheden om de omgeving en de wereld te ontdekken veranderd. Internet en smartphones brengen afstanden nog dichterbij en veranderen relatie tussen mensen. Mondialisering was onmogelijk zonder al deze technische innovaties. Maar nu komen er technieken aan, die ons omgaan met elkaar en onszelf fundamenteel veranderen.

Door het hele boek van Eynikel lopen de thema’s van privacy, vertrouwen en rechtvaardigheid. Nieuwe vraagstukken worden actueel met bivoorbeeld de komst van de zelfrijdende auto. Een robot op wielen die, gestuurd door kunstmatige intelligentie, autonome keuzes maakt voor de ‘bestuurder’ en zijn omgeving. En wat vinden we van de humanoïden die in onze verpleeghuizen een rol vervullen of aan onze kinderen onderwijs verzorgen. Welke regels moeten die volgen en welke waarden moeten die uitstralen? Hoe hebben wij daar invloed op?

Is een diepgaande relatie opbouwen mogelijk?
Het is een boeiend boek met net zulke boeiende vraagstukken. Eynikel geeft in de laatste hoofdstukken met zijn WIN-canvas hier een werkkader voor. Het is een model om de waarden rondom een innovatie te analyseren. Het gaat uit van de invloed van mens (de stakeholders), maatschappij (de impact) en moraal (de waardentoets) van deze innovatie. En een analyse om te bepalen of het wel verstandig is om een bepaalde innovatie voort te zetten of bepaalde aanpassingen te doen. Het levert een rijker en genuanceerder beeld op als we de impact van technologie op ons leven en moraal willen bespreken.

In het eerste verhaal van de nieuwe Adriaan van Dis, In het Buitengebied, wordt de verteller verliefd op Akiko. De Japanse bereidt voor hem een theeceremonie. Ze helpt hem in de moestuin, praat en puzzelt met hem, en verzorgt delen van het huishouden. Akiko helpt de verteller in de moeilijke periode van het alleen-zijn. Akiko is een humanoïde robot die leert communiceren en taakjes uit te voeren. Hij communiceert met het Brain Team dat Akiko steeds verder modificeert. Aan het eind van het verhaal gaat Akiko in de doos waar ze in kwam. Superslim. Geen empathie. De liefde zal onbeantwoord blijven. ‘Ik ritste haar in haar jumpsuit, sloeg het stof van de doos waarin ze ooit de reis naar mijn huis had gemaakt – een doos tintelend van verwachting, maar ook passend als kartonnen graf – en droeg haar in mijn armen het huis uit.’

(Meer achtergronden over de invloed van robots op ons werk en maatschappij zijn te lezen in Het Tweede Machinetijdperk van Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee en het meer techno negatieve aspect in Martin Fords’ De opmars van robots.)

De robot kwam, zag en... nieuws
28 september 2016 | Bertrand Weegenaar

Op die puntjes, daar staat misschien overwon. Of ging niet door. Ooit was robotica het domein van science fiction schrijvers. Toen werd het van futurologen. Daarna van trendwatchers en tegenwoordig van onderzoeksbureaus die niet al te ver vooruit kijken.

Recent verscheen een ‘waarschuwing’ van Deloitte dat veel studenten van MBO tot universitair niveau met studies bezig zijn die tot werkeloosheid opleiden. De robots nemen dat werk over. Krantenkoppen repten van 300.000 studenten tot een kwart van alle studenten. Met dank aan de toenemende aanwezigheid en mogelijkheden van robot-gestuurd werk- en denkkracht. De discussie gaat vervolgens of je MBO’ers wel studenten mag noemen, en dat het een op Nederland betrokken analyses van een al wat ouder Deloitte rapport betreft.

Onderzoeksjournalist Wouter van Bergen dook in de wereld van robotica en schreef zijn bevindingen in het boek De robots komen eraan!. Zowel de inhoud als de titel suggereren het beeld van de trendwatcher. Er kan nog van alles gebeuren voordat dit werkelijkheid wordt. Naast achtergrondinformatie probeert Van Bergen feit en fictie te scheiden. ‘De Terminator’ en ‘Ik, Robot’ (beiden films gebaseerd op science fiction verhalen) vergelijkingen worden natuurlijk aangehaald. Van Bergen schetst vier scenario’s:

1. waarin robots zich tegen de mens keren en uiteindelijk de wereld vernietigen,
2. waarin door de komst van robots het hele economische en sociale stelsel op de schop moet,
3. waarin robots zich volledig zullen wijden aan het welzijn van de mensheid en ook de mens zich van zijn beste kant laat zien,
4. waarin robots steeds meer taken kunnen overnemen, maar de mens het nog lange tijd kan volhouden.

Voor een inleiding in de robotica-ontwikkelingen is De robots komen eraan! prima. De gedachten en redeneringen achter de scenario’s zijn, alleen al door de verwoording, wat krom. En sluiten elkaar niet uit. Van Bergen gooit in zijn boek robots en drones op één hoop. (Wat een niet geheel onlogische gedachte is overigens.)

Dat geeft hoop voor scenario 3 dat in lijn ligt met het balangrijke Het tweede machinetijdperk van Erik Brynjolfsson en Andrew Mcafee. Zij trekken het iets breder dan robotica en gaan in op de gevolgen van digitalisering in het algemeen en de invloed van machines op ons leven in het bijzonder. Ze voorspellen grote veranderingen in arbeidsinzet. En op ons sociale leven. Zelfrijdende auto’s in combinatie met slimme algoritmes en veranderende wetgeving kunnen onder de grootste beroepscategorie van Amerika, de vrachtwagenchauffeur een waar werkeloosheidsslachtveld aanrichten.

Op een recent robotica symposium werd een ‘robot-kussen’ gedemonstreerd. Doel: patiënten met ernstige slaapstoornissen helpen in slaap te komen en te blijven. Alle technieken sensoren, meters van gedachtegolven, hartritme, ademhaling waren verbonden met geluid-, warmte- en andere technieken. Een zacht vriendelijke slaaphulp.

Recent verscheen bij uitgever Q de vertaling De opmars van robots van Martin Ford. Een boek dat lang op bestsellerlijsten prijkte en de focus vooral richt op de risico’s én kansen die er door aanstormende technologische ontwikkelingen, naast robots, 3D printers en drones zijn. De punten die Van Bergen kort in zijn scenario’s aanstipt, worden in dit boek diepgaand geanalyseerd. Aan het einde komt Ford met een verrassende wending: als er dan toch zo veel welvaart te maken is met zo’n beperkte inspanning, dan zou een basisinkomen er wel eens in kunnen zitten. Dat is een heet hangijzer maar uit de mond van een Amerikaanse ondernemer is dat bijna een utopisch toekomstbeeld.

Weer aan het werk na je 45ste nieuws
25 maart 2015 | Bertrand Weegenaar

De cijfers in de Tegenlicht aflevering Het werken van morgen over Het tweede machinetijdperk zijn indrukwekkend en beangstigend: 2 tot 3 miljoen werkelozen in Nederland de komende tientallen jaren. Dat is één derde tot de helft van de beroepsbevolking. En dat is gedegen onderzocht. Veel banen gaan verdwijnen door een verder en verder voortschrijdende robotisering en gebruik van slimme systemen. Het treft banen in alle lagen van de beroepsbevolking.

Software die rechtspreekt of basis gezondheidsdiagnoses stelt. De stoel van de rechter en de specialist. Proeven worden er al gedaan. Vrachtwagens die zelf rijden, zonder chauffeur, over snelwegen. De ontheffing is er al en een proeftraject in Nederland is al in gebruik. Misschien dat u uw biertje niet bestelt bij een robot maar het grootste deel van het traject van gerst tot tap is grotendeels geautomatiseerd.

En wat betekent dat voor u? De kansen voor (midden)managers boven de 40 zijn klein. Om hun werk te behouden of hetzelfde werk bij een andere werkgever te vinden. Het vooruitzicht van werkeloosheid en het beginnen van een nieuwe carrière in ander werk zijn reële opties. Dat een werkeloosheidstraject geen feestje hoeft te zijn, beschrijft Rob van Spanje in Van werkloos tot depressief.

Van Spanje’s ontslag- en werkeloosheidstraject omvat inmiddels twintig jaar. Zijn grootste vijand is het UWV. Een doolhof met Kafkaiaanse verschijningsvormen. Het UWV was voor Van Spanje eerst werkgever en daarna uitkeringsinstantie. Van Spanje is geschoold arbeidsdeskundige en hulpverlener en kende dus het klappen van de zweep. Het boek is gelukkig niet alleen maar een aanklacht tegen het UWV. Het blijkt een goed leesbaar geschrift, om goed voorbereid te zijn op de mentale valkuilen van een werkloze carrière. Of voor het opladen voor een volgende sollicitatie. Of een stage op je 45ste. Enzovoort. Maar vrolijk wordt je er niet van.

Dat word je eerder van Je tweede carrière (‘Nieuwe loopbaankeuzes voor 45-plussers na herbezinning of ontslag’) van Donald Suidman. Wat opvalt in de Tegenlicht documentaire, is dat er voornamelijk blanke mannen van boven de veertig in figureren. Enkelingen hebben het tij weten te keren en zijn een ander pad op gegaan. Als ‘ultra-duurloper’ én sportmasseur. Of hebben een compleet nieuwe baan bedacht: bedrijfstegendenker bijvoorbeeld. Je tweede carrière geeft een staalkaart van wat je te wachten staat met ontslag. De emoties. Hoe je dit kunt verwerken en weer in je kracht kunt (en moet) komen. Waar je kansen liggen en hoe die te zoeken. Ga je weer solliciteren of voor jezelf beginnen? Het boekje is fris & fruitig vorm gegeven. Hoopgevende en nuchtere verhalen. Want als je echt in deze situatie zit, kan alles je opvrolijken.

Geen werk meer is een moeilijk vooruitzicht. Werkloos zijn, geeft een afgedankt gevoel. Maar ook nieuwe kansen en nieuwe vooruitzichten. Er is veel potentie bij jezelf te ontdekken als je het een kans en ruimte geeft.

Andrew McAfee: ‘Ons lot wordt niet bepaald door de machine’ interview
5 februari 2015 | Jeroen Ansink

De automatisering van de arbeidsmarkt heeft nu ook de middenklasse bereikt, zegt MIT-wetenschapper Andrew McAfee in Het tweede machinetijdperk. Waar de Industriële Revolutie de limieten van de menselijke spierkracht te lijf ging, richt het tweede machinetijdperk zich op de beperkingen van de geest. ‘Het is aan ons om de groeiende taart eerlijk te verdelen.’

Automatisering is een proces dat al generaties lang bezig is. Waarom is er nu ineens sprake van een tweede machinetijdperk?
Technologische vooruitgang wordt sinds halverwege de jaren zestig bepaald door de zogeheten wet van Moore die voorschrijft dat de rekenkracht van computers ruwweg elke twee jaar verdubbelt. De gevolgen van deze exponentiële groei zijn jarenlang onder de radar gebleven, maar zijn sinds kort in een stroomversnelling terechtgekomen. Dankzij de smartphone lopen ineens miljarden mensen met een supercomputer op zak. Uitvinders en ondernemers beschikken daarmee over meer mogelijkheden om te innoveren dan ooit. Al die ontwikkelingen leveren gigantische hoeveelheden data op, waardoor we in razend tempo een beter begrip van de wereld krijgen. Dat heeft vérstrekkende gevolgen voor de werkgelegenheid. Waar de Industriële Revolutie de individuele limieten van onze spierkracht te lijf ging, richt Het tweede machinetijdperk zich op de beperkingen van onze geest.

Welke sectoren zullen het hardst getroffen worden?
Dat is moeilijk te zeggen. Je ziet nu al dat een programma als TurboTax een hele generatie aan boekhouders aan het wegvagen is. En supercomputer Watson van IBM ontwikkelt zich in hoog tempo tot een hooggekwalificeerde diagnosticus. In de toekomst zullen overmijdelijk meer witte-boordenbanen verdwijnen. Maar de mate waarin computers ons zullen aftroeven, hangt heel erg af van de innovaties die nog zullen komen. Wat ik wel met zekerheid kan zeggen, is dat niet alles door robots zal worden overgenomen. De economie zal in de toekomst nog steeds mensen nodig hebben. Het schoonmaken van bijvoorbeeld tafels in een restaurant is naar menselijke maatstaven laaggeschoold werk, maar er is nog geen computer die dat kan.

Wat betekent dat voor de arbeidsmarkt? We kunnen toch moeilijk allemaal de horeca in.
Dat is het slechte nieuws. Het verlies aan banen zal het sterkst voelbaar zijn voor werknemers in de middenklasse. Die zullen op de maatschappelijke ladder vervolgens een stapje terug moeten doen. Omdat de concurrentie voor ongeschoold werk zal toenemen, zullen de lonen daardoor alleen maar dalen.

Minder banen, lagere lonen, en een groeiende kloof tussen arm en rijk. Wat is het goede nieuws?
Dat we een tijdperk van materiële overvloed tegemoet gaan. Het kapitalisme heeft altijd gezocht naar manieren om meer welvaart met minder inspanning te creëren. Dankzij de innovaties van het tweede machinetijdperk komt dat doel een stuk dichterbij. Het is aan ons om die groeiende taart zo eerlijk mogelijk te verdelen. Het is een vergissing om te veronderstellen dat technologie over ons lot beslist. Niet de machine, maar ons waardensysteem bepaalt hoe onze samenleving er uit zal komen te zien. Overheden kunnen een cruciale rol vervullen, bijvoorbeeld door de superrijken extra te belasten of door iedereen een basisinkomen te verstrekken. Het zal wat voeten in aarde hebben, maar ik ben voorzichtig optimistisch.

Hebben managers niet juist een prikkel om zo veel mogelijk banen te automatiseren? Machines zijn goedkoper en spreken je niet tegen.
Dat zal uiteindelijk bepaald worden door de markt. Persoonlijk denk ik dat de toekomst in het teken zal staan van samenwerkingsverbanden. Software kan een grootmeester verslaan, maar tegen een combinatie van mens en machine blijkt zelfs de beste schaakcomputer niet opgewassen. In het bedrijfsleven zie je al intrigerende voorbeelden waarbij geest en machine hun krachten bundelen. Zo bestaan er al venture capital firma’s die de beslissing in welke startup ze investeren voor een deel laten afhangen van een algoritme. Of neem ondernemerschap. Het ontwikkelen van een nieuw idee is nog steeds voorbehouden aan mensen, maar bij het testen daarvan kan technologie een belangrijke rol spelen.

In het eerste machinetijdperk had het bedrijfsleven decennia om aan de nieuwe ontwikkelingen te wennen. Dit keer lijken de veranderingen veel sneller te gaan. Hebben managers wel tijd om zich aan te passen?
De meeste bedrijven hoeven niet bang te zijn dat ze binnen twaalf maanden zullen worden weggevaagd door een startup uit Silicon Valley. Maar managers moeten wel beseffen dat de oude manier van zakendoen voorgoed voorbij is. Een van de grootste vergissingen die zakenlieden honderd jaar geleden konden maken, was de gedachte dat elektriciteit een tijdelijke rage was, of dat ze hun stoommachines alleen maar hoefden te vervangen door een elektromotor. Net zoals industrialisten destijds de fabriek opnieuw moesten uitvinden, moeten huidige managers de meest basale elementen van hun bedrijf heroverwegen. Zaken als het uitstippelen van de strategie, het testen van je ondernemingsmodel, de omgang met je klanten, of het optimaliseren van je waardeketen zullen door machines fundamenteel van karakter veranderen.

Is het niet gewoon een kwestie van tijd voordat we een betere versie van onszelf bouwen en de mens daarmee overbodig maken?
Op sommige gebieden gaan de ontwikkelingen inderdaad razendsnel. Zo zijn er al computergestuurde camera's die beter in staat zijn om emoties op een gezicht te lezen dan de gemiddelde mens. Maar als ik om me heen kijk, denk ik dat we nog heel ver verwijderd zijn van een vorm van articifiële intelligentie die superieur is aan de onze. Ik zie het in ieder geval niet als iets waar ik me tijdens mijn leven zorgen over hoef te maken.

Hoe kunt u daar zo zeker van zijn? U was er vijf jaar geleden nog van overtuigd dat de zelfsturende auto toekomstmuziek was. Totdat een ritje in de automatische auto van Google uw ongelijk bewees.
Klopt, en ik had een paar jaar geleden ook niet verwacht dat computers binnenkort in staat zullen zijn om betere medische diagnoses te maken dan dokters. Maar het zorgen voor andere mensen of het motiveren van werknemers is iets dat heel moeilijk te automatiseren is. Ik zie een machine nog niet zo snel het werk overnemen van een verpleegkundige of een manager. En ook beoefenaars van creatieve beroepen zijn voorlopig veilig.

Werk van de toekomst nieuws
29 januari 2015 | Bertrand Weegenaar

Een ongekende hoeveelheid soorten banen gaat de komende jaren verdwijnen. Sommigen zijn heel concreet zoals in de bankensector. Ook taxichauffeurs moeten zich zorgen maken door de komst van Uber taxichauffeurs. Winkelpersoneel zou zich moeten omscholen tot koerier want hun handel verschuift in hoog tempo naar Internetwinkels. En meer ergs komt eraan.

Je kunt hier negatief naar kijken. Of je kijkt er anders naar.Zzoals een aantal denkers en trendwatchers: het biedt ongekende kansen! Informatief is Het tweede machinetijdperk en zeker ook Adjiedj Bakas Megatrends werk. Eén ding weten we allemaal zeker: je kop in het zand gaat niet helpen.

Een klein werkje dat de relatie legt tussen komende en gaande beroepen is 10 banen die verdwijnen en 10 banen die verschijnen van Bas van de Haterd. Het boek is gebaseerd op de conclusies uit een groot onderzoek van de universiteit van Oxford: The Future of Employment.

Voorbeelden van banen die een (gouden!) toekomst hebben zijn bijvoorbeeld die van City Miner. Een City Miner is iemand die zich bezig houdt met het opsporen en halen van grondstoffen uit al onze digitale apparaten. Die spullen sturen we nu naar Afrika om dat dan weer duur terug te kopen. Maar de 3D-designer, verbonden aan een van de vele en snelgroeiende Maker bedrijven kunnen deze grondstoffen weer heel prima gebruiken. (Voor meer over de Makers movement: Makers – De Nieuwe Industriële Revolutie van Chris Anderson.)

Dit soort banen appelleert aan duurzaamheid en het creëren van een locale grondstoffenketen. Andere verschijnende banen voor de (nabije) toekomst: Identiteitsauditor, de DNA-adviseur, de reparateur (voor een defecte huisrobot), en de stadsboer.

Het einde van de arbeidspsycholoog nieuws
14 januari 2015 | Ger Post

Hoe vaak hebt u bij Facebook op ‘like’ gedrukt? Tien keer? Dan kent Facebook u beter dan uw naaste collega’s. Meer dan 70 keer? Dan kent het bedrijf u beter dan uw vrienden. Bij meer dan 150 likes verslaat het bedrijf uw familieleden en boven de 300 weet het bedrijf meer over u dan uw echtgenoot.

Dit suggereert onderzoek naar persoonlijkheidskenmerken dat onlangs is gepubliceerd. In het onderzoek werden zelfrapportages, over onder andere zelfbewustheid, geluk, drugs- en drankgebruik en politieke voorkeur, vergeleken met voorspellingen van software en die van naasten.

Maar er zitten nogal wat haken en ogen aan dit onderzoek. Zo moesten naasten de persoonlijkheid van hun vriend in slechts tien vragen categoriseren. En er is nogal wat voor te zeggen dat het beeld dat we van onszelf hebben ook niet feilloos is (zo bleek de computer zelfs beter in te schatten hoeveel vrienden de persoon had of hoe vaak hij berichten postte).

Toch zorgden de resultaten voor een social media storm. Natuurlijk ging het over de macht van Facebook waar mensen gemiddeld 227 likes achterlaten (and still counting) en dat dus al dichter is genaderd dan de meeste familieleden. Maar ook de gevolgen voor arbeidspsychologen werden uitgemeten, omdat de onderzoekers aangaven dat de kans groot is dat de computer juist deze beroepsgroep een hoop taken afsnoept.

In De Volkskrant mocht Michiel Kompier, hoogleraar arbeidspsychologie van de Radboud Universiteit, het voor de beroepsgroep opnemen. Hoewel ‘opnemen’ misschien niet het juiste woord is. In zijn poging om te vertellen dat arbeidspsychologen niet voor hun baan hoeven te vrezen, haalde hij meteen het belangrijkste doel van het vakgebied onderuit. ‘De relatie tussen persoonskenmerken en arbeidssucces is de heilige graal van de psychologie, maar er blijkt simpelweg weinig verband tussen te bestaan. De enige factor die enigszins voorspelt is consciëntieusheid, wat vooral staat voor goed georganiseerd zijn, zelfdiscipline, prestatiemotivatie en doorzettingsvermogen.’

Wellicht dat arbeidspsychologen meer opbeurende woorden halen uit Het tweede machinetijdperk van Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee. De specialisten in economie en technologie laten hierin zien hoe mens en bedrijf het met succes op kunnen nemen tegen de machine. Zoals de achterflap belooft: ‘Een optimistisch boek dat onze manier van denken over technologie, samenleving en economische groei voorgoed zal veranderen.’

Een veranderende economie nieuws
17 december 2014 | Bertrand Weegenaar

Dat er door en tijdens de crisis veranderingen gestart zijn in de gangbare economische modellen, is wel duidelijk zichtbaar. Termen als ‘duurzaam’ en ‘delen’ zijn inmiddels ingrediënten van succesvolle business modellen.

De zeeën zitten vol plastic, de rivieren met metalen en de lucht met kooldioxides. Tijd om te bedenken hoe in uw bedrijf hier op ingespeeld kan worden? Een goede aanzet is natuurlijk te vinden in het Managementboek van het Jaar Zaken doen in de nieuwe economie.

Inspiratie voor het volgende jaar kan verder opgedaan worden in de boeken Blauwe economie van Gunter Pauli en Derde industriële revolutie van Jeremy Rifkin. Pauli beschrijft een model om alle elementen in de keten van een productieproces en product te kunnen hergebruiken. Of waarde te geven in een volgende stap van de keten. Een afvalproduct kan weer een basis vormen voor een andere keten. Zo gaat niets verloren en blijft er geen schadelijk restproduct achter.

Rifkin is in Amerika dé aanjager van de discussie over het gebruik van duurzame energiebronnen. Het heeft de door olie groot geworden Rockefeller familie inmiddels de ogen geopend. Rifkin ziet het breed gebruik van duurzame energiebronnen als het startpunt van grote wijzigingen: in de politieke verhoudingen en het onderwijs. Beide met een stevig fundament in de Industriële Revolutie is hun basis model achterhaald.

Er is economisch nog een andere discussie gaande. In Het tweede machinetijdperk laten auteurs Erik Brynjolfsson en Andre Mcafee zien wat de consequenties kunnen zijn van de inzet van slimme machine gekoppeld aan internet. Zelfrijdende auto’s, drones die post bezorgen en 3D printers om maar drie voorbeelden te noemen. Hoe werken we straks samen met machines? Hoe beïnvloedt het ons werk? Wat gaan we doen met alle tijd die we vrij krijgen? De inzet van tientallen apparaten in het naoorlogse huishouden gaf vrouwen zoveel tijd dat ze serieus konden participeren op de arbeidsmarkt. En dat is maar 60 jaar geleden gestart. Wat gaat de robotisering nog meer teweeg brengen?

Mooie vragen voor onder de kerstboom en zinvolle vragen om 2015 mee te beginnen.

Rise of the Machines nieuws
25 november 2014 | Jeroen Ansink

Het is het ultieme schrikbeeld van menig burger en politicus: een wereld waarin robots zo slim en veelzijdig worden dat ze de mens uiteindelijk overbodig zullen maken. Zoals de inmiddels overleden Nederlandse grootmeester Jan Hein Donner het verwoordde toen hem gevraagd werd hoe hij zich zou voorbereiden op een schaakpartij tegen een computer: ‘Ik zou een hamer meenemen.’ Is die vrees terecht?

In hun nieuwe boek Het tweede machinetijdperk betogen MIT-hoogleraren Andrew McAfee en Erik Brynjolfsson dat schaakcomputers, sprekende smartphones en zelfrijdende auto's pas het begin zijn. De mensheid staat een omwenteling te wachten staat die net zo radicaal zal zijn als de Industriële Revolutie.

Maakte de stoommachine korte metten met de beperkingen van onze spierkracht, momenteel zijn de limieten van ons brein aan de beurt. Maar waar tijdens de Industriële Revolutie nog sprake was van een symbiotische relatie tussen machine en haar bediener, kunnen computers het in toenemende mate nu ook wel alleen af. Brynjfolfsson wijst er fijntjes op dat artificiële intelligentie in veel gevallen betere beslissingen kan nemen dan mensen.

Al die vooruitgang is goed nieuws voor de consument. Informatie, kleding, en boodschappen worden steeds goedkoper, en smartphones met het calculatievermogen van een supercomputer zijn binnen het bereik gekomen voor zelfs de allerarmsten onder ons.

Nadeel is dat ondernemerschap in het informatietijdperk nauwelijks banen oplevert. De inmiddels failliete foto-en filmfabrikant Kodak Eastman, icoon van het eerste machinetijdperk, verschafte in zijn hoogtijdagen werk aan 145.000 mensen. Internetstartup Instagram lukte het om zich binnen vijftien maanden voor een miljard dollar aan Facebook te verkopen - en deed dat met slechts vijftien mensen.

Dat levert een tamelijk grimmig toekomstbeeld op, waar we als samenleving een behoorlijke dobber aan zullen hebben. Omdat robots superieur zijn in het opvolgen van instructies, zullen beroepen verdwijnen die allang niet meer behoren tot de arbeidersklasse, zoals de diagnostiek en de accountancy.

Een mogelijke oplossing is om als maatschappij te investeren in creativiteit, iets waarover robots (nog) niet beschikken. Werkgelegenheid moet daarnaast komen vanuit de interactie met andere mensen, zoals sales, het kleuteronderwijs, of de ouderenzorg. En ook managers hoeven zich volgens McAfee en Brynjolfsson (voorlopig) geen zorgen te maken: vanwege hun belabberde communicatie-vaardigheden zijn computers niet alleen ineffectieve onderhandelaars, maar kunnen ze ook geen teams leiden.

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden