Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Boekenkast

Joep Schrijvers | 15 maart 2012 | 10-14 minuten leestijd

De boekenkast van Hans de Bruijn, bestuurskundige en doormodderaar

Hij is wetenschapper, hoogleraar maar net zo goed een ouderwetse onderwijzer. Hij vertelt, verklaart en illustreert met verve en plezier. Hij laat zien hoe in het politieke debat frames werken. Maar ook in de wereld van Managers en professionals. Hij houdt niet van grootse verhalen en de maakbaarheidgedachte. Zijn fascinatie is de onzekere wereld met zijn dubbelzinnigheid en onvoorspelbaarheid. ‘Besturen is een zaak van doormodderen’, zegt hij. Deze keer bij de boekenkast de man die het boek Framing schreef: Hans de Bruijn.

Delft ontwaakt als ik over de groene as van de campus loop. Slaperige studenten, gehaaste hoogleraren op hun fiets passeren me. De grijze bewolking drukt op de functionalistische gebouwen. Alles lijkt voorspelbaar. Ik ben op weg naar de bestuurskundige, hoogleraar Hans de Bruijn. Ergens aan de rand van het terrein zit hij in relatieve nieuwbouw die alweer wordt gerenoveerd. Een aannemer op de gang timmert en schroeft. ‘Wil je koffie?’ vraagt De Bruijn als ik hem gevonden heb. Hij draagt een montuurloos brilletje en een nonchalant pak. Mijn eerste indruk: dit is een intellectueel. Iemand voor wie de geest belangrijker dan het uiterlijk is. ‘Koffie?’ vraagt hij nogmaals.

De aanleiding voor mijn bezoek is zijn alleraardigste boek dat afgelopen najaar het licht zag: Framing. Het is een goed boek, want het geeft je nieuwe ogen voor de werkelijkheid. Althans mij. ‘Met een frame benoem je de werkelijkheid. Het geeft een interpretatie en roept dan bij de toehoorder allerlei associaties op. Een bekend voorbeeld van framing is de wereld opdelen in helden, schurken en slachtoffers.’ De Bruijn legt het me op de maandagmorgen met plezier uit. ‘De samenleving is ingewikkeld en een frame is daarop een antwoord. Het reduceert complexiteit. Framing wordt vaak naar Wilders toegetrokken. Moslims en de PvdA-elite zijn de schurken, Henk en Ingrid het slachtoffer en de PVV de held. Het is een heel sterk frame omdat Wilders zichzelf ook als slachtoffer van de elite neerzet. Maar feit is dat iedereen framet. Een frame vereenvoudigt de werkelijkheid. Het geeft de essentie weer van wat je wilt. Je hebt in de wereld van bestuur en beleid twee arena’s: de bestuurlijke en de politieke. In de eerste arena gaat het om complexiteit en een tolerantie voor dubbelzinnigheid. Veel maatschappelijke problemen zijn niet eenduidig. In de tweede gaat het om de essentie. Politici spelen in op de onze behoefte aan een overzichtelijke wereld die in control is. Frames helpen daarbij. In mijn boek ga ik daar op in. Ook behandel ik manieren waarop je frames kunt ontkrachten: door ze te reframen. Ik train dat ook samen met een acteur, die bekende frames neerzet. Hij speelt bijvoorbeeld een opponent van een technisch georiënteerd iemand en beschikt over de goede frames. Elektromagnetische velden zijn plotseling elektrosmog. Dat roept bij het publiek allerlei associaties op. Zijn tegenstander staat meteen op achterstand. Hoe moet je reageren op zo’n sterk frame?’

Zijn managers schurken?

De Bruijn vertelt me smakelijk over zetten in framing en reframing. ‘Ik heb iets met taal en ook met het politieke spel, met de slimmeriken die het spel kunnen spelen. We hebben het niet zo op met politici van het type Maxime Verhagen, die goed zijn in het spel. Maar hoe ingewikkelder onze wereld, hoe harder je ze nodig hebt. Macht heeft allerlei negatieve connotaties. Ten onrechte. We hebben ook mensen nodig die het kunnen en willen spelen met de macht.’ Ik popel om naar de wereld van management en organisatie te gaan. Is in het debat over professionals en managers framing óók aan de orde? Hij knikt beslist: ‘Zeker. Een bekende structuur van een frame is dat het een slachtoffer, een schurk en een held heeft. Managers zijn schurken, professionals slachtoffer en Geert Mak en de stichting Beroepseer de helden. Het is een heel hardnekkig frame, maar de werkelijkheid is veel genuanceerder. Bas de Wit deed er onderzoek naar. Managers in het onderwijs doen gewoon hun best. Het is helemaal niet zo dat managers professionals niet zien staan. Er is ook een andere werkelijkheid: niet iedere leraar doet het goed, dat weet iedereen die kinderen op een middelbare school heeft. En er is nog iets aan de hand. Managers moeten professionals niet controleren, maar professionals moeten elkaar controleren, zo is de gedachte. Onderlinge controle zou professionals scherp houden. Maar steeds weer blijkt dat die onderlinge professionele controle niet altijd werkt. Zie de recente gebeurtenissen rond prutsende artsen: ze zijn blijkbaar niet gecorrigeerd door hun medeprofessionals. En dan heb ik nog geen onderscheid gemaakt tussen individuele en collectieve professionaliteit. Je kunt als individu wel goed zijn, maar als de afstemming niet naar behoren is dan is er geen professionaliteit op collectief niveau.’

Dit frame – de bestuurder of manager als schurk – zien we overal, maar toegespitst op professionele organisaties, heeft het ook wel iets Nederlands. ‘Waar het vandaan komt? Het beeld wordt sterk bepaald door het onderwijs, en daar hebben we het failliet van bepaalde onderwijshervormingen gezien. Er is overal een onderstroom van wantrouwen tegenover gezagsdragers, dat versterkt het beeld. En het is een comfortabel frame voor de professional, dat zichzelf makkelijk in stand houdt.’

De Bruijn is op vertrouwd terrein: ‘Professionals die zich voorstaan op autonomie, deskundigheid en collegiale toetsing, moeten ook beseffen dat het beroep op de professie veel massaler is geworden. Heel veel werk – ook voor professionals – is noodzakelijkerwijs gestandaardiseerd. Dat vergt organiseren, afstemmen, management. We willen allemaal overal zo snel mogelijk geholpen worden. Ik vraag me ook altijd af of er een verschil is tussen oude en jonge professionals. Hier aan de universiteit zie ik dat oudere professionals soms klagen over zaken, die voor jongere een taken for granted-karakter hebben. De nieuwe professionaliteit is voor hen een gegeven. Het is ook heel comfortabel om als professional slachtoffer te zijn en voor meer autonomie te pleiten. Neem de affaire Stapel. Het was nog niet bekend of de eerste commentaren zetten hem al als slachtoffer neer. Het zou komen door de publicatiedruk. Dat is flauw, dat is snel commentaar.’ De Bruijn concludeert: ‘Nee, die discussies over professionals en managers zijn te simplistisch.’

Ik vraag de Bruijn of de hype over leiderschap ook een frame is. ‘Leiderschap is weer vreselijk populair.’ Hij wacht even. ‘Het komt uit dezelfde bron voort. De wereld is oneindig ingewikkeld, we zijn steeds meer van elkaar afhankelijk en zijn daardoor het gevoel van controle kwijtgeraakt. We zoeken zekerheid en eenduidigheid. Dat is de paradox: er is steeds minder leiderschap mogelijk en daardoor groeit onze behoefte eraan. Daar schrijft de Amerikaanse filosoof Michael Sandel over en ook de Nederlandse publicist Marc Chavannes. Die laatste heeft het in zijn boek Niemand regeert over Nederland dat de toekomst invliegt in een cockpit die onbemand is. Daar komt onze behoefte aan leiders uit voort. We hoeven geen leiders die zeggen waar de stip op de horizon ligt maar wel die ons inspireren op onze waarden en daar zekerheid over verschaffen.’

Cohort bestuurskundigen

Complexiteit, ambiguïteit, framing en het verlangen naar eenduidigheid zijn thema’s van de bestuurskundige De Bruijn. Ik vermoed er de kenmerken van het leeftijdscohort in dat in de jaren tachtig haar academische scholing kreeg. Is dat zo? ‘Ik deed rechten en politicologie in Leiden. Het was de tijd van Thatcher, Reagan, Lubbers en het waren toch wat restauratieve jaren. Tot die tijd was het gangbare idee dat de maatschappij door de overheid te beïnvloeden was. Toen ik studeerde, nam men van die maakbaarheidgedachte afscheid. We lazen er veel over. De aannames daarachter bleken niet houdbaar. Je kunt niet over alles volledig geïnformeerd zijn en ontwikkelingen goed objectiveren. De samenleving is niet stabiel en voorspelbaar. Mijn denken is beïnvloed door de conservatieve politieke theorie – dat is overigens iets heel anders dan conservatieve politiek, die theorieën hebben van links tot rechts invloed gehad. Het basisidee daarvan is dat de geschiedenis een laboratorium van de mensheid is. Wat nuttig is, blijft bestaan. Deze kent een enorm wantrouwen jegens grote veranderingsidealen omdat die meestal geen recht doen aan de werkelijkheid en vaak het omgekeerde bereiken van wat ze beogen. De grote ideologieën zoals het communisme hadden afgedaan. Dat was een ideaal met zeer slechte uitkomsten. Die hele maakbaarheidgedachte lag onder vuur. Mijn cohort bestuurskundigen is daarin geschoold. Sturing vanuit de overheid is niet goed mogelijk en dus moeten we op zoek gaan naar andere manieren van sturing: sturing door interactie, het stimuleren van emergente ontwikkelingen, het gebruikmaken van complexiteit. Het werd de tijd van minder overheid en meer markt. We gingen nieuwe aannames uitwerken, nadenken over strategieën die wel kansrijk zijn in een ingewikkelde, door technologie gedomineerde wereld. Dat is niet een groot verhaal – daar is mijn generatie niet van – maar gewoon een groot aantal empirisch getoetste inzichten.’

De econoom Charles Lindblom heeft veel invloed gehad op De Bruijn. ‘Hij was een voorloper van die nieuwe denkstroming. In de jaren vijftig en zestig deed hij onderzoek naar besluitvorming en democratie en zei: "Democratie is doormodderen." Hij betoogde dat doormodderen uiterst functioneel is in een wereld die maar beperkt kenbaar is, beter dan alles in één klap veranderen. Neem Europa. Ook Merkel moddert voort in de crisis. Daar is veel kritiek op. Maar kan het anders? Misschien is dit wel de juiste strategie voor de EU: muddling through. In de wetenschap is het helemaal geen uitgemaakte zaak dat snelle en kordate besluitvorming beter is. Tegelijk vind ik het ontzettend belangrijk dat je weet waardoor je bent beïnvloed en daar kritisch naar kijkt. Lindblom-achtige verhalen mogen niet leiden tot een ‘het gaat zoals het gaat’-mentaliteit, het is altijd weer zoeken naar wat wel werkt, kritisch kijken naar je eigen, centrale concepten.’

Reloaden

Een boek als Framing moet een flink publiek trekken. Complexiteit, beïnvloeding en debat, we zijn er allemaal nieuwsgierig naar. ‘Het loopt goed. De eerste maand waren al duizend boeken verkocht. Ik heb er een maand of acht aan gewerkt. Dat is de doorlooptijd. Als hoogleraar heb ik geen schrijftijd. Ik moet dat goed plannen en probeer het als het kan in de vroege ochtenden te doen, maar meestal is het weekendwerk. Gelukkig hoef ik me zelf niet te reloaden. Ik kan voor een uurtje gaan zitten en direct schrijven. Dit boek ben ik op pagina één begonnen. Ik had vooraf geen structuur. Die kwam er al doende in. Ik denk pas na als ik schrijf. Dan worden mijn gedachten scherp. Toen ik klaar was, ging een redacteur van de uitgeverij er kritisch over heen. Die zei dat ik de tekst hier en daar nog dunner moest maken. Ze bedoelde dan dat ik het nog meer en beter moest uitleggen. Bij een boek als dit dwing ik mijzelf monkey proof te schrijven. Want ik wil helder en duidelijk voor een breed publiek schrijven – en toch vond de redacteur nog heel veel dat verbeterd moest worden.’

Tien boeken erbij, tien eraf

Wat en hoe leest iemand die zo gevoelig is voor debat, framing en arena’s? In zijn kamer op de universiteit staan twee kasten en thuis heeft hij er ook nog een paar. ‘Meer ruimte is er niet. Voor deze kasten geldt: tien boeken erbij, tien boeken eraf. Ik doe die dan in een doos en dan gaan ze de kelder in.’ ‘En dan?’ vraag ik, het antwoord al vermoedende. ‘Wat er in de kelder gebeurt?’ Ik knik. ‘Wat er dan gebeurt, durf ik amper te vertellen. Soms gaan ze weg.’ Ik probeer De Bruijn warm therapeutisch aan te kijken. ‘Dan gaan ze in de vuilnisbak. Of ze sterven een zachte dood’, haast hij zich te melden. ‘En gaan ze naar een antiquariaat. Maar die betalen er bedroevend weinig voor. Zo laat je in je boekenkast staan wat je echt mooi vindt en wordt die steeds mooier. Ik lees ook heel veel informatie op het internet met mijn iPad. Veel lezen is scannen. Ik zoek dan waar het nieuwe zit, waar de verrassing komt. In mijn vakgebied lees ik zelden een boek van A tot Z want geen enkel boek is volkomen nieuw. Alles bouwt op elkaar voort. Met fictie is het anders gesteld. Die lees ik meestal wel helemaal.’

Ik hoor ver in het gebouw gehamer en stel mijn laatste vraag. ‘Of er een nieuw boek aankomt? Ik ben daarop aan het broeden. Het zal gaan over een door technologie gedomineerde samenleving die steeds ingewikkelder wordt, waarin we steeds minder in control zijn en er daarom steeds meer behoefte aan krijgen.’ Het verbaast me niet.

Terug buiten op de campus van Delft zie ik weer het Nederland dat door ingenieurs is gemaakt. Ik neem me voor eens wat van Lindblom te lezen. Het gras van de groenstrook is van de aanhoudende regen doorweekt. Doormodderen: het heeft wel wat.

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden