Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Nieuws

Harvest april 2015

Wat leest Amerika en wat waait waarschijnlijk over naar Nederland? ‘Onze man in de VS’ Jeroen Ansink doet maandelijks een rondje boekwinkels in New York.

Jeroen Ansink | 20 april 2015 | 4-5 minuten leestijd

Ook wel eens gedroomd van een baan bij Google? Wees dan voorbereid op een teleurstelling: het is makkelijker om aangenomen te worden aan Harvard University. Google ontvangt maar liefst twee miljoen sollicitatiebrieven voor slechts een paar duizend vacatures per jaar. In De toekomst van werk legt HR-manager Laszlo Bock uit waarom de technologie-gigant geldt als een van de meest favoriete werkgevers ter wereld. Bock, onder wiens supervisie het personeelsbestand groeide van zesduizend tot de huidige 55.000 werknemers, biedt een praktische handleiding waar ook niet-technologiebedrijven hun voordeel mee kunnen doen.

Een van de aantrekkingskrachten is de vrijheid die ‘Googlers’ genieten. Zelfstandig denken is het devies: Google verkiest gegadigden die slim en nieuwsgierig zijn boven mensen die daadwerkelijk weten wat ze aan het doen zijn.

Een andere managementtactiek is provocatiever. Google betaalt mensen uitsluitend op basis van toegevoegde waarde. Hierdoor kunnen de onderlinge salarissen van werknemers gigantisch fluctueren, schrijft Bock. ‘Er zijn situaties geweest waarbij één persoon een aandelenpakket van 10.000 dollar kreeg, terwijl een ander in dezelfde functie een miljoen dollar ontving.’ Deze powerlaw heeft paradoxaal genoeg dan weer wel een democratiserend effect, aldus Bock tijdens een lezing in Washington: de beginsalarissen zijn voor zowel mannen als vrouwen ‘statistisch identiek’.

Als dat echt zo is (Bock geeft geen specifieke details), dan is Google een voorloper in het Amerikaanse bedrijfsleven. In de Verenigde Staten krijgt de doorsnee vrouwelijke werknemer voor hetzelfde werk slechts tachtig procent van wat haar mannelijke collega verdient. De inkomensongelijkheid is ongetwijfeld gedeeltelijk een kwestie van seksisme. Wat echter ook meespeelt, is dat veel vrouwen de neiging hebben om hun vaardigheden onder te waarderen, stelt de Amerikaanse consultant Helene Lerner in The confidence myth. In het boek combineert de oprichter van de site WomenWorking.com haar eigen ervaringen met de uitkomst van een enquête onder vijfhonderd carrièrevrouwen.

Het probleem is volgens Lerner niet zozeer dat vrouwen onzeker zijn, maar dat ze een verkeerde opvatting hebben over wat zelfvertrouwen nu eigenlijk is. Waar de term vaak synoniem staat voor onbevreesdheid (een eigenschap die slechts aan weinigen is gegund), kan zelfvertrouwen volgens Lerner beter vertaald worden als moed: het overwínnen van angst.

De grootste mythe rondom zelfvertrouwen is dat het alleen kan bestaan in een omgeving waarin alle omstandigheden perfect zijn. Veel vrouwen stellen zich pas kandidaat voor een leiderschapspositie als ze honderd procent zeker weten dat ze beschikken over de juiste vaardigheden en contacten. Die extreme voorzichtigheid is nergens voor nodig, aldus Lerner: ‘Wat je zelf niet hebt kun je ofwel aanleren, ofwel delegeren.’

Veel vrouwelijke werknemers blijken daarnaast ook in een onnodig psychiatrisch keurslijf te worden gedrukt. In de Verenigde Staten slikt maar liefst een op de vier vrouwen antidepressiva als Prozac of Xanax, tegenover een op de zeven mannen. Dergelijke kuren hebben vaak geen klinische rechtvaardiging, zegt de New Yorkse psychiater Julie Holland in Moody bitches, zeker niet als ze bedoeld zijn om stemmingswisselingen tegen te gaan. Hoewel vrouwen in onze moderne maatschappij zijn geconditioneerd om hun humeuren te onderdrukken, kruipt het bloed waar het niet gaan kan: gemoedsschommelingen zijn evolutionair bepaald. Vrouwen zijn door de bank genomen inderdaad emotioneler en empathischer dan mannen, en volgens Lerner doen ze er goed aan om die eigenschappen juist te koesteren. Zoals ze het zelf stelt: ‘Onze buien vormen het intelligente feedbacksysteem van ons lichaam. Als we leren om ze op de juiste manier te managen, vormen ze een fantastische hulpmiddel, en een enorme bron van macht.’

Overigens kampen ook mannen met hun eigen sekse-specifieke problemen. De strijd om een plek in de pikorde gaat vaak gepaard met agressief gedrag en het recht van de sterkste. De Amerikaan Jonathan Gottschall kan erover meepraten: hij werd op school gebullied door enkele klasgenootjes die zich opstelden als alfa-mannetjes. Hoewel Gottschall zich zou ontwikkelen tot een gemoedelijke literatuurwetenschapper, zou hij de ervaring nooit vergeten. De kwellende vraag of hij nu een lafaard was of niet, leidde ertoe dat hij zich als late dertiger bekeerde tot mixed martial arts, een vechtsport waarin bijna alles geoorloofd is.

In Echte mannen vechten beschrijft Gottschall hoe hij zijn kantoor verruilde voor een vechtkooi. Daarbij stelt hij zich tevens de vraag waaróm mannen eigenlijk knokken. Het korte antwoord is eer en respect. Dat klinkt misschien archaïsch, maar deze redenen dienen uiteindelijk een vreedzaam doel. Rituele gevechten en gereguleerde competities ‘helpen mannen om hun conflicten te beslechten en hierarchieën te ontrafelen met zo min mogelijk bloedvergieten en sociale chaos’. Ook de toeschouwers spelen hierbij een cruciale rol: het kijken naar dergelijke ‘apendansen’ zorgt ervoor dat mannen aan de zijlijn hun eigen agressie eveneens in toom houden.

Deel dit artikel

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden