Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Achtergrond

De macht van de zichzelf vervullende voorspelling

De run op de DSB volgde het klassieke scenario van de zichzelf vervullende voorspelling. Geloof en krediet zijn hetzelfde, en schijnbaar massieve financiële instellingen blijken uiterst fragiel wanneer mensen ophouden erin te geloven en hun krediet terugtrekken.

Dick Pels | 5 november 2009 | 5-7 minuten leestijd

De oproep van Lakeman om de DSB niet langer te vertrouwen versnelde de ondergang van de bank. De kop ‘Voortbestaan DSB aan zijden draad’ in ‘de Volkskrant’ gaf de genadeklap, ook omdat de krant berichtte dat ‘bronnen rond het ministerie’ hadden aangegeven dat Financiën geen reddingsoperatie in de zin had en de Nederlandse Bank klaar stond om het bewind over te nemen. Een week later was de bank failliet.

Econoom Olav Velthuis vond achteraf dat alle partijen omzichtiger hadden moeten opereren. Lakeman had zijn oproep niet mogen doen en ‘de Volkskrant’ had zijn informatie nooit mogen opschrijven, want de belangen waren zo groot ‘dat persvrijheid en de jacht op primeurs ervoor hadden moeten wijken’. Behalve dat honderdduizenden DSB-klanten en spaarders waren benadeeld, waren ook maatschappelijke belangen aangetast: het vertrouwen in de financiële sector had door deze ‘trial by media’ opnieuw een knauw gekregen. De actie van Lakeman zou anderen op een idee kunnen brengen: ‘Een run op een bank zou wel eens een dreig- of chantagemiddel kunnen worden voor wie maar toegang heeft tot de media en een bank op de korrel wil nemen’. Velthuis toonde zich daarom voorstander van een aanscherping van de journalistieke code en zelfs van aansprakelijkheidwetgeving, die het mogelijk zou maken de aanstichters van een bankrun strafrechtelijk te vervolgen. Banken speelden volgens hem een te belangrijke maatschappelijke rol om te worden blootgesteld aan dergelijke ‘wispelturigheden’ (‘de Volkskrant’ 17.10.09).

Het DSB-débacle vertelt ons iets essentieels over hoe de samenleving in elkaar zit. Vaak doet men (zie Velthuis) alsof financiële instellingen een apart soort kwetsbaarheid bezitten, en sterker te lijden hebben onder de verwoestende kracht van zichzelf vervullende voorspellingen dan andere, meer solide instituties. Maar die kwetsbaarheid geldt in feite voor alle instellingen in de samenleving. Bedrijven, overheden, scholen en ziekenhuizen zijn evenzeer afhankelijk van reputatievorming, dus van collectief vertrouwen en het behoud van hun goede naam, en raken in de problemen zodra die reputatie afbladdert en het geloof in hun soliditeit verdwijnt. Sociale instituties zijn eigenlijk collectieve voorstellingen, die op een interessante manier zweven tussen feit en fictie, en die voor hun voortbestaan op elk moment afhankelijk zijn van het geloof dat we eraan hechten en de praktische investeringen die we erin doen. Als we er ’s ochtends niet meer naar toe zouden gaan om onze rol te spelen en ons werk op te pakken, zou er spoedig gras groeien over de gebouwen waarin ze huizen en die ze zo’n schijnbaar solide aanzien geven.

Dit kunnen we een ‘Sinterklaas-visie’ op de sociale werkelijkheid noemen. Het Sinterklaasfeest is juist zo’n ontroerende fictie omdat alle volwassenen en de helft van alle kinderen gezamenlijk ‘doen alsof’ om de goedheiligman te laten bestaan als de enige gulle gever van wat de mensen zichzelf en elkaar geven. Het traumatische besef dat Sinterklaas eigenlijk niet bestaat groeit juist zo langzaam omdat iedereen om je heen samenzweert om die fictie in stand te houden (hetzelfde geldt voor andere heiligen en natuurlijk ook voor de Grote Baas zelf). Seculiere machtsverhoudingen werken volgens dezelfde circulaire logica. Er moet door iedereen elke dag weer hard worden gewerkt om ze waar te maken en tot gelding te brengen. Iedere onderdaan doet een duit in het zakje, zoals Karl Marx wist toen hij in ‘Het kapitaal’ schreef: ‘De ene mens is slechts koning omdat de andere mensen zich tot hem als onderdanen gedragen. Omgekeerd menen zij onderdaan te zijn omdat hij koning is.’

Het geloof is dus de vader van de realiteit. De socioloog Thomas zei het al in 1928: ‘If men define situations as real, they are real in their consequences.’ Definities van de situatie brengen mede tot stand wat zij definiëren. Het etiket ‘buitenstaander’ of ‘afwijkend gedrag’ dat op mensen wordt geplakt maakt dat ze zich naar die definitie gaan gedragen. Dat zwarten racistisch worden bejegend maakt dat ze zich gaan voegen naar die stereotypen. Als van een politicus wordt gezegd dat er een ‘smet’ is geworpen op zijn geloofwaardigheid en dat zijn positie ‘onhoudbaar’ is geworden, is hij al bijna weg. Dat een bank wordt gedefinieerd als insolvabel prikkelt mensen tot gedrag dat deze voorspelling binnen de kortste keren waarmaakt.

De zichzelf vervullende voorspelling speelt dus een veel belangrijker rol in ons dagelijks bestaan dan vaak wordt beseft. Niet alleen banken, ook bedrijven, overheden en andere instellingen zijn afhankelijk van een soort Münchhausen-operatie die ze elke dag weer op wonderbaarlijke wijze optrekt uit het moeras. Uit dat inzicht zou je ook een sublieme democratische conclusie kunnen trekken. Want als het voortbestaan van die instellingen en collectieven zo sterk afhankelijk is van onze dagelijkse definities en investeringen, kunnen we ze in principe maken en breken.

De ergernis van Velthuis over de onverantwoordelijkheid van hypotheekleed-activisten en journalisten kan daarom ook worden omgekeerd. Juist de persvrijheid maakt democratische hypes mogelijk waarin de zichzelf vervullende voorspelling als effectief dreigement wordt gehanteerd. ‘Trial by media’ is misschien het enige machtsmiddel dat slachtoffers van wanprakrijken ter beschikking staat om indruk te maken op machtige bolwerken zoals een bank. Eerder liet de Brent Spar-affaire, toen Shell via een effectieve mediacampagne van Greenpeace door een consumentenboycot werd getroffen, al zien hoe effectief de macht van gewone burgers via de media kan worden gemobiliseerd. Ook de verontwaardiging rond Anders Moberg (‘de man van 10 miljoen’) leidde tot een klantenstaking bij Albert Heijn die het moederconcern Ahold snel dwong om te snoeien in diens exorbitante beloningspakket.

De run op de DSB heeft opnieuw laten zien dat consumenten een vuist kunnen maken via de media, die hun definitiemacht uitvergroot en daardoor een collectieve mobilisatie op gang brengt. Er liggen dus democratische kansen in het doorgronden en actief toepassen van de logica van de zichzelf vervullende voorspelling. De democratische les van de failliete DSB is dat wij burgers meer greep hebben op de grootmachten in ons bestaan dan we vaak denken. Het krediet dat we ze elke dag geven is voorwaardelijk en kan op elk moment worden teruggetrokken.

Deel dit artikel

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden