Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Column

Horkos

Demissionair minister van Financiën Jan Kees de Jager stelde een tijdje geleden voor dat mensen die in financiële organisaties werken een beroepseed moeten afleggen.

Rene ten Bos | 31 december 2012 | 3-5 minuten leestijd

In een persverklaring legde hij uit dat hij die eed niet ziet ‘als symboolwetgeving’, maar als ‘een zeer nuttige en gerechtvaardigde maatregel die een bijdrage zal leveren aan het herstellen van het vertrouwen in de financiële sector’. De minister wijst er ook nog op dat die eed niet alleen schriftelijk afgelegd moet worden, maar ook daadwerkelijk dient te worden uitgesproken ten overstaan van een beleidsbepaler.

Natuurlijk was de kritiek niet van de lucht. De minister zou met zijn oproep de bestaande moraliteit ten onrechte in een te kwaad daglicht stellen, de minister maakt van economie een zedenspel, de minister miskent de specifieke omstandigheden die vaak een afwijking van een bepaalde morele regel onvermijdelijk maken. Het allermooiste bezwaar kwam ik tegen in Assurantie Magazine,waarin te lezen was dat alleen al het opstarten van een infrastructuur, die het afleggen van eden op grote schaal mogelijk zou maken, meer dan 23 miljoen zou gaan kosten. Is de eed dus onverstandig?

Laat ik vooropstellen dat ik wel houd van een minister die houdt van oeroude ideeën. Het interessantste aan zijn voorstel is dat hij ook daadwerkelijk wil dat mensen de eed uitspreken. De minister ziet de eed dus als een taaldaad. De oude Grieken dachten er niet anders over. De horkos, zoals zij de eed noemden, werd gezien als een oraal ritueel dat niet zozeer de bedoeling had om de spreker in staat te stellen iets over de werkelijkheid te vertellen, maar veeleer om hem te verbinden met het hogere zodat zijn woorden een surplus aan geloofwaardigheid krijgen. Simpeler gezegd, wie een eed aflegt, roept de goden aan om zich te tooien met een aureool van waarachtigheid. De woorden zelf zijn daarbij minder belangrijk dan de uitstraling.

Jammer is dat de minister de eed gelijkschakelt met de belofte. Ik snap dat overigens wel: ongelovige mensen willen voor de rechtbank niet iets ‘bij God’ zweren. Maar met de vervanging van de eed door de belofte gaat er iets fundamenteels verloren. De belofte minacht transcendentie. Zij heeft de goden niet nodig. De prijs die je daarvoor betaalt, is dat waarachtigheid in geen velden of wegen is te bekennen. Een samenleving waarin men alleen maar durft te beloven in plaats van te zweren, is een samenleving waarin mensen hun vermogen kwijt zijn geraakt om anderen te overtuigen en daardoor bij elkaar te houden. Zonder een eed is er geen gemeenschappelijkheid mogelijk. Er is een lange politiek-filosofische traditie waarin het belang van de eed voor de gemeenschap – van de Griekse stadstaat (polis) tot aan het Zwitserse eedgenootschap – benadrukt is. Alleen door een eed is de persoon in staat tot geloofwaardige zelfverplichting. De paradox is dat die zelfverplichting niet mogelijk wordt door iets dat uit jezelf komt. We hebben niets aan bankdirecteuren die recht in de eigen spiegel kunnen kijken. Nee, zelfverplichting is alleen maar mogelijk als een god meedenkt en meedoet. Je hebt dus het hogere nodig om je eigen kleine moraliteit te redden.

Horkos was ook een god. Hij strafte de meinedige. Er is een oude fabel van Aesopus, waarin een man geld van een vriend in bewaring neemt. Hij wil dat geld niet terugbetalen. De vriend dreigt hem met een rechtszaak, waarop de man met het geld de wijk neemt naar het platteland. Net buiten de stad komt hij een lamme bejaarde tegen. De man vraagt de bejaarde wie hij is. ‘Ik ben Horkos en ik ben op zoek naar de goddelozen.’ De man vraagt daarop hoe lang de oude erover doet weer terug te keren naar de stad die hij net is ontvlucht. ‘Een jaar of dertig, veertig’, luidt het antwoord. Daarop zweert de man plechtig dat hij het geld van zijn vriend nooit ontvreemd heeft. Horkos verdwijnt, maar komt de volgende dag terug en brengt de meinedige man naar een hoge klif om hem er vanaf te gooien. De man sputtert in zijn angst nog wat tegen: ‘Je zei gisteren nog dat je eens in de dertig, veertig jaar langs zou komen.’ Waarop Horkos antwoordt: ‘Zeker, maar voor iemand die mij uitdaagt, kom ik soms al na een dag terug.’

Moraal van het verhaal: de goden maken geen afspraken met mensen over wanneer ze je straffen. Als De Jager dit in gedachten heeft gehad, moet hij minister blijven.

Deel dit artikel

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden