Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
The Great Crash
27 maart 2009 | Pierre Pieterse

Het moest er eens van komen, het tij zit mee, maar eindelijk is de Nederlandse vertaling van The Great Crash 1929 dan verschenen, bij uitgeverij Ambo Anthos. Volgens het begeleidende persbericht is dit boek ‘nog altijd het meest lezenswaardige boek over het grootste financiële debacle waarmee de wereld ooit is geconfronteerd: de beurskrach van 1929. De beroemde econoom John Kenneth Galbraith beschrijft, met een grote helderheid, de gekte en waanzin die kenmerkend waren voor de financiële wereld in de Verenigde Staten in die tijd’. Een constatering waar we het uiteraard volledig mee eens zijn. Wie dit boek leest, zo vervolgt het persbericht, 'begrijpt dat er in tachtig jaar niet zoveel veranderd is: blinde hebzucht aan de ene kant, en een flinke dosis goedgelovigheid aan de andere kant houden elkaar in evenwicht. Tot de zeepbel barst en een crisis onvermijdelijk wordt'.

John Kenneth Galbraith (1908-2006) wordt gezien als invloedrijk econoom, maar was toch vooral bekend omdat hij John F. Kennedy adviseerde. Hoewel hij een imposante lijst met boeken nalaat, is zijn bekendste boek nog altijd 'The Affluent Society' uit 1958, waarin hij de nadruk op materiële productiegroei van de private sector fel bekritiseerde. In de VS leidde dat volgens hem tot publieke armoede te midden van private rijkdom. Dat was op zich geen nieuw inzicht, maar wel een frontale aanval op een van de hoekstenen van ‘the American way of life’.

Een ander boek dat het nodige stof deed opwaaien, was New Industrial State uit 1967. Hierin betoogt Galbraith dat bedrijven autonome, oligopolistische instituten zijn, alleen gericht op marktaandeel en niet op winstmaximalisatie, die elke vorm van invloed door ‘belanghebbenden’ (entrepreneurs of aandeelhouders), kartelpolities, of consumenten willen uitsluiten. In dat licht gezien krijgt het bewierookte begrip ‘concurrentie’ of ‘vrije markt’ een heel andere connotatie. Een minder opzienbarend maar wel erg interessant boek, is The Great Crash 1929 uit 1954. Zonder enige opsmuk analyseert Galbraith de krachten die hebben geleid tot een totale economische ineenstorting. En dat maakt het handzaam referentiemateriaal voor de ‘crash’ die eind vorige eeuw plaatsvond, of voor ‘crashes’ die nog kunnen komen.

'The Great Crash 1929' is bijna net zo mythisch als de mystieke begrippen ‘zwarte donderdag’ of ‘de grote depressie’ die we sindsdien kennen. Opmerkelijk genoeg is er aan de crash op zich weinig bijzonders, behalve dan dat eigenlijk niemand weet waarom er gebeurde wat er is gebeurd. De oorzaak lag in heftige speculatie, de ballon werd opgeblazen, en leeggeprikt. Net zoals het leeglopen van de ballon die ‘nieuwe economie’ heette.

Speculatie wordt aangejaagd door psychologische factoren, en zelden ingegeven door rationele argumenten. Rond 1928 was er een sfeer ontstaan die zich het best laat omschrijven als euforie. Met andere woorden: iedereen wilde een graantje meepikken van de onmetelijke rijkdom die in het verschiet lag.

De dagen voorafgaand aan de crash was er eigenlijk nog niets aan de hand. Er werd stevig gehandeld op de beurs, maar dat was op zich niet bijzonder. Woensdag 23 oktober werden de eerste echte scheuren zichtbaar, en de 24ste – Zwarte Donderdag – stortte het gebouw in. Massaal deed iedereen zijn aandelen van de hand, en de rest is geschiedenis.

Galbraith stelt dat er geen echte verklaring is voor deze dramatische gebeurtenis. Het had twee jaar eerder kunnen gebeuren, of drie jaar later. En het kan nog altijd gebeuren. De recente beurscrash is hiervan het overtuigende bewijs. De langdurige depressie die volgde op Zwarte Donderdag was veel opmerkelijker en veel ernstiger. Galbraith signaleert een aantal onderliggende factoren van uiteenlopende aard die een van een crash een depressie maakten.

De eerste factor is de onevenredige verdeling van inkomen. Heel veel geld in handen van bijzonder weinig mensen. Dat betekende in de eerste plaats dat de consumptie navenant onevenredig was. Met andere woorden: het consumptiepatroon, vooral van luxe goederen, bleek sterk afhankelijk van een te kleine groep. En als die groep wordt geraakt, zoals gebeurde, zakt de consumptie, en tegelijk het investeringsvermogen, als een kaartenhuis ineen.

De tweede factor is de slechte organisatiestructuur, zowel op macro- als op micro-niveau. Veel bedrijven, vooral nutsbedrijven, waren in handen van een paar holdings en grote investeringsconglomeraten, die zich weer bedruipten van de divenden op de aandelen van de bedrijven die in hun handen waren. Toen de markt ineenklapte, was er niet alleen geen geld meer om te investeren, maar ook geen geld om aan de schulden te voldoen. Daarnaast werden de meeste organisaties slecht gemanaged: het management kenmerkte zich door ‘promoters, grafters, swindlers, imposters, and frauds’. Aldus Galbraith.

De derde factor is de rammelende bankstructuur. Er waren te veel onafhankelijke vestigingen, en dit legde de kiem voor een dominoreactie. Als een vestiging faalde, werden de assets van anderen bevroren. Dat was dan weer een signaal voor mensen om hun geld direct op te nemen, zonder dat daar op zich enige reden voor was. Dus mismanagement bij een bank, leidde meteen tot narigheid bij andere banken. Met in 1929 als gevolg een epidemische kettingreactie. Opmerkelijk is dat in deze situatie niet alleen slecht presterende banken hun zwakke broeders in hun val meenamen, maar dat ook sterke banken onherroepelijk werden meegezogen. Zodat inderdaad iedereen zijn geld kwijt was.

De vierde factor is het gebrek aan economische kennis. De overheidsfinanciën waren al geruime tijd niet op orde, er werd veel meer uitgegeven dan er binnenkwam. Dus er werd besloten minder uit te geven en de belastingen niet te verlagen. Maar omdat het huishoudboekje rond 1930 wel erg uit balans was, leidde het streven naar een begrotingsevenwicht juist tot een verhoging van de belasting en een forse reductie van de uitgaven. En daarmee werd de laatste rek uit de economie getrokken. Galbraith noemt deze overwinning van een dogma over logisch denken enigszins cynisch een prestatie van formaat.

Heel summier is dit de gecompliceerde en met elkaar samenhangende voedingsbodem waarop de beurscrash van 1929 de inleiding vormde van The Great Depression. Kan zoiets weer gebeuren? Een speculatieorgie die leidt tot een crash. Zonder meer, zo stelt Galbraith, en daarin heeft hij dus gelijk gekregen. Een depressie ligt echter minder voor de hand. Overheden en bedrijven zijn veel beter georganiseerd. Instanties als de SEC waken over de beurs en zijn staat speculatief gedrag in te dammen, en mismanagement op de schaal waarin dat toentertijd plaatsvond is eerder uitzondering dan regel. Daarnaast is het inkomen beter verdeeld, kent het bankwezen een degelijke structuur, en is de economische kennis aanzienlijk verbeterd.

Maar toch. Hoe goed het systeem ook mag functioneren, het zijn mensen die aan de knoppen draaien. We leven in een democratie, en dat zou partijen voor verkiezingen tot beloftes en acties kunnen verleiden die het systeem als geheel uit het lood slaan. Bijvoorbeeld door een zwakke economie uit te hollen door zich blind te staren op begrotingsevenwicht, hoe terecht op zich ook. En zelfs de beste controle-instellingen als de SEC hebben drama’s als bij Enron, of recent Ahold, niet kunnen voorkomen. En dan hebben we het maar even niet over de huidige kredietcrisis.


Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden