Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
3 juli 2014 | Wardy Poelstra

Volgens de auteurs van ‘50+ en afgeschreven!’ voltrekt zich voor onze ogen een maatschappelijke ramp waarvan we de omvang nog maar nauwelijks kunnen overzien. Een hele generatie werknemers wordt ‘in de ban gedaan’, en volgens de tamelijk militante flaptekst van het boek wordt het tijd dat we daar iets aan gaan doen. Wegkijken is geen optie, we moeten nu actie ondernemen om de schade de komende jaren in elk geval nog enigszins te beperken.

In het eerste hoofdstuk van hun boek ‘50+ en afgeschreven!’ schetsen Hans en Bas Hattink en Titus Bovenberg de contouren van het probleem. 50-plussers, hoewel vitaler dan ooit, hebben meer dan ooit moeite om na ontslag of vrijwillig vertrek nog een nieuwe baan te vinden, terwijl de politiek tegelijkertijd van ze verlangt dat ze langer dan ooit aan het arbeidsproces deel blijven nemen. De in het boek genoemde cijfers van het CBS spreken boekdelen: slechts 2% van alle vacatures wordt ingevuld door 55-plussers; tegelijkertijd stopt nog maar 6% van alle werkenden vóór zijn of haar zestigste. Kortom: boven de vijftig kun je maar beter blijven zitten waar je zit, want ergens anders kom je gewoon niet meer aan de bak. Ontslag is een drama, in veel gevallen rest daarna slechts een uitkering of het zzp’er-schap, tot je kunt ‘genieten’ van een steeds verder uitgesteld en uitgehold pensioen.

Deze ongewenste situatie heeft een aantal oorzaken. Zo kunnen ouderen de snelle ontwikkelingen in de wereld steeds minder goed bijhouden. De auteurs halen onderzoek aan waaruit blijkt dat ons vermogen om nieuwe kennis en vaardigheden op te nemen en toe te passen, meestal al vanaf het veertigste jaar afneemt. Geen wonder dat werkgevers de voorkeur geven aan jongeren, die ook nog eens goedkoper zijn. Het boek pleit er dan ook voor om, in navolging van de ICT-branche, in de beloningsstructuur van organisaties het ‘anciënniteitsmodel’ te vervangen door het ‘topsportmodel’. Je verdient dan meer naarmate je beter presteert, en niet naarmate je langer aan een organisatie verbonden bent. De auteurs stellen het heel duidelijk aan het eind van het eerste hoofdstuk: ‘de kern van het probleem is de rentabiliteit; […] de ouder wordende mens heeft in de huidige economie grosso modo minder marktwaarde dan de mens met jonge-hondenenergie en dito flexibiliteit’ (p. 35).

Als we die opvatting serieus nemen en toepassen op het loongebouw van het gros van onze organisaties, staan we aan de vooravond van een revolutie. Maar de auteurs zien zelf ook wel in dat de soep waarschijnlijk niet zo heet gegeten wordt, al was het maar vanwege allerlei gevestigde belangen, regels en wetgeving, en ook omdat de omloopsnelheid van kennis en vaardigheden niet in elke branche zo hoog is als in de ICT.

Vreemd genoeg lopen de auteurs aan het eind van hun boek juist te hoop tegen het idee van ‘onrendabele ouderen’, dat ze op p. 189 zelfs ‘belachelijk’ noemen. De terreur van een te ver doorgeschoten markteconomie, die ze eerder als onvermijdelijk leken te beschouwen, wordt hier opgevat als iets waartegen we ons moeten verzetten, net als de ‘flexverslaving’ (mooie vondst!) waar we collectief aan ten prooi zijn gevallen. Het is dus niet helemaal helder, ondanks de pamflettistische titel en flaptekst van hun boek, waar de auteurs nu eigenlijk voor staan. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld hun opvatting over de versoepeling van het ontslagrecht, die ze op p. 190 nog ‘urgent’ noemen maar op p. 201 ‘de verkeerde maatregel op het verkeerde moment’.

Hier wreekt zich waarschijnlijk de gebrekkige redactie van het boek, die ook op andere punten onder de maat is. De opbouw en structuur van het boek zijn bijvoorbeeld niet erg dwingend; de inhoud en volgorde van de hoofdstukken lijken vaak nogal willekeurig. Het ‘10.000-dagen plan’ voor 50-plussers, aangekondigd in hoofdstuk 5, komt pas in hoofdstuk 7 echt uit de verf (en blijkt dan, vanaf p. 121, een van de meest waardevolle onderdelen van het boek te zijn). En het boek staat bol van de herhalingen en doublures, op allerlei niveaus van de tekst. De auteurs hadden volgens mij hun boodschap ook (of zelfs: beter) voor het voetlicht kunnen brengen als ze met de helft van het huidige aantal pagina’s hadden volstaan.

Toch vind ik het boek als geheel een welkome aanjager van de discussie over de 50-plusser als ‘paria van onze werksamenleving’ (p. 4). Veel van wat de auteurs suggereren snijdt hout en kan van belang zijn voor zowel de 50-plussers zelf, als voor de managers en HR-professionals die met behulp van evenwichtig ‘generatiemanagement’ de scherpe kantjes van de huidige en toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt af kunnen halen. Ook beleidsmakers kunnen met de observaties en aanbevelingen in het boek hun voordeel doen. Want dat de auteurs inderdaad een groot probleem aanroeren, zowel in maatschappelijke zin als persoonlijk voor degenen die het betreft, staat als een paal boven water.


Hans Hattink, Bas Hattink, Titus Bovenberg
50+ en afgeschreven

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden