Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
Onafhankelijkheid voor Europa
24 juni 2008 | Pierre Pieterse

Het lijkt wel alsof de gestage eenwording van Europa een tweede spoor trekt waarin het Rijnlandse denken aardig aan het gedijen is. Het Angelsaksische denken, met zijn nadruk op de aandeelhouder, is niet meer zo vanzelfsprekend als een paar jaar geleden.

Natuurlijk gaat het nog altijd om winst, maar ook om andere dingen. Zoals duurzaamheid of verantwoord ondernemen. In 2004 verscheen het boek Onafhankelijkheid voor Europa van Donald Kalff, een vurig pleidooi om toch vooral van eigen kracht uit te gaan, en het Angelsaksisch denken te laten voor wat het is. Dit boek is in vele opzichten een opmerkelijk boek. Het rekent af met het idee dat de fixatie op winst, of aandeelhoudersbelang, in het belang is voor de onderneming, en daarmee de aandeelhouders. Daarnaast laat het zien dat de concurrentiepositie van Europa al sterk is, maar door de gestage eenwording de VS van de kaart zal gaan blazen. Maar wellicht is nog het meest opmerkelijke de auteur. Donald Kalff is geen wetenschapper of adviseur, maar een gepokt en gemazeld praktijkman, met werkgevers als Shell en KLM. Iemand dus die weet waarover hij spreekt. Uit ervaring.

Kalff stelt dat het Amerikaanse ondernemingsmodel dat is gebaseerd op aandeelhouderswaarde helemaal niet zo succesvol is geweest als is verondersteld. Zelfs toen eind vorige eeuw de bomen tot aan de hemel reikten, blijkt nu dat veel Amerikaanse en op Amerikaanse leest geschoeide bedrijven veel slechter te hebben gepresteerd dan bedrijven die een Europees ondernemingsmodel hebben gehanteerd. Kalff laat zien dat de creatie van waarde verre valt te verkiezen boven het focus op winst. In economisch goede maar ook in economisch slechte tijden. Kalff durft zelfs de stelling te verdedigen dat de gestage eenwording van Europa uiteindelijk zal leiden tot een situatie waarin Europese bedrijven de dienst gaan uitmaken.

Opmars van Europa

In het boek Onafhankelijkheid voor Europa laat Donald Kalff er geen twijfel over bestaan dat het Amerikaanse ondernemingsmodel met zijn blinde fixatie op winst geen toekomst meer heeft. Behalve dat het Europese ondernemingsmodel, dat juist uitgaat van waardecreatie, op zich al bijzonder concurrerend is, en de basis daarvoor almaar steviger wordt, is het Amerikaanse model zijn thuisbasis aan het verliezen. Letterlijk zegt Kalff: ‘Een nieuwe Amerikaanse recessie, die gezien de erfenis van de jaren negentig zeer wel mogelijk is, zou de migratie naar Europese ondernemingsmodellen in een stroomversnelling kunnen brengen.’

Wie echter goed tussen de regels doorleest, weet dat Kalff hiermee bedoelt dat zo’n recessie het definitieve failliet van het model zal betekenen. En deze woorden krijgen bovendien extra lading nu we weten dat George Bush, niet minder dan de wederopstanding van de economisch gezien rampzalige jaren Reagan, het nog vier jaar mag proberen. Nog meer belastingverlagingen, een nog groter begrotingstekort, kortom de ingrediënten voor een gegarandeerde recessie.

De doodlopende spiraal van winstfixatie

De eerste helft van het boek is een uitgebreide beschrijving van de opkomst en aanstaande ondergang van het Amerikaanse ondernemingsmodel. Wie de actualiteit de laatste jaren heeft gevolgd, kan zich een aardig beeld vormen van de inhoud van die hoofdstukken. Maar twee conclusies springen er uit. In de eerste plaats dat de fixatie op aandeelhouderswaarde een in zichzelf doodlopende spiraal is. Je kunt niet blijven groeien door allerlei kostenreducties of overnames. Vooral overnames blijken steeds vaker een kostbare aangelegenheid die zich niet meer terugverdient. En ook kostenreducties kennen een bodem. Uiteindelijk draait ondernemen om productiviteit, en om het creëren van waarde, de winst volgt dan vanzelf. Dat zijn dan ook precies de twee zaken waarin het Europese ondernemingsmodel excelleert.

In de tweede plaats wordt de kern van het Amerikaanse ondernemingsmodel gevormd door concurrentie: tussen business units, tussen dochterbedrijven, en tussen managers onderling. Het idee hierachter is dat deze vorm van marktwerking leidt tot winst, maar in werkelijkheid wordt er waarde vernietigd. In harde euro’s. Schaalvoordelen worden onvoldoende benut, innovaties niet uitgewerkt, of bedrijfsactiviteiten worden nooit geoptimaliseerd. Het Europese ondernemingsmodel daarentegen is gebaseerd op samenwerking en vertrouwen. Tussen business units, maar ook tussen managers onderling en het personeel. Ook op deze manier wordt er waarde gecreëerd, op de korte en de lange termijn.

De VS versus Europa

Zelfs in de hoogtijdagen van het Amerikaanse ondernemingsmodel, eind vorige eeuw, toen alle condities optimaal waren, hebben ondernemingen op Europese leest beter gepresteerd. ‘The American Way’ blijkt niet te hebben geleid tot noemenswaardige productiviteitsgroei, en de winsten die werden gegenereerd blijken te zijn gekocht, of, zoals later blijkt, frauduleus tot stand gekomen. Maar bedrijven gestoeld op het Europese ondernemingsmodel hebben nog een belangrijke troef: de concurrentiepositie van Europa! Met gestage eenwording van Europa ontstaat er een markt waarvan de bronnen en mogelijkheden bij lange na nog niet zijn gebruikt. Zowel op het gebied van afzet als op het gebied van samenwerking.

Dit is belangrijk, omdat de strijde tussen het Amerikaanse en Europese ondernemingsmodel zich zal afspelen op Europees grondgebied. En wel tussen Europese ondernemingen die het Amerikaanse model aanhangen, en Europese bedrijven die het Europese model volgen. Juist in Europa zullen interne groei en samenwerking van doorslaggevende betekenis blijken. We zullen in de nu volgende minuten het Europese ondernemingsmodel nader beschouwen.

Korte versus lange termijn

Het alom aanwezige uitgangspunt van het Europese ondernemingsmodel is dat de beschikbaarheid van risicodragend kapitaal en nieuwe technologie niet de aanjagers zijn van groei en ontwikkeling van de onderneming. Binnen het Europese model ligt de focus op de capaciteiten van medewerkers en management, en de kwaliteit van de onderlinge samenwerking. Om zodoende duurzaam te opereren.

Dat klink heel plechtstatig, maar als je bedenkt dat afhankelijkheid van risicodragend kapitaal betekent dat het belang van de aandeelhouder die dat kapitaal investeert, op de eerste plaats komt, in termen van rendement, dan zie je meteen dat elke langetermijnstrategie geen optie is. Het gaat niet om de onderneming maar om de kapitaalverstrekker! Bovendien zijn nieuwe technologieën op heel korte termijn economisch interessant, maar op de iets langere termijn verdwijnt het concurrentievoordeel van zulke technologieën. Dat is dan ook de reden dat het Amerikaanse ondernemingsmodel, gestoeld op beide premissen, geen productiviteitsgroei heeft laten zien.

Aanjagers van het Europese model

Wat zijn dan wel de aanjagers van het Europese model? Dat zijn is een andere verhouding tot kapitaalverstrekkers, het toezicht op het bestuur, de positie van de CEO, de rol van management- en organisatieontwikkeling, en de wijze van beloning.

Binnen het Europese model verlangen investeerders geen resultaten per kwartaal. Men stuurt aan op lange-termijnresultaten. Elke investering is gebaseerd op vertrouwen en niet op direct rendement. Dat betekent dat het management zijn eigen koers kan volgen, zonder de hete adem van investeerders in de nek te voelen. Dat vertrouwen is weer gebaseerd op de rol van de CEO en het toezicht op het bestuur. Ook hier is samenwerking het fundament. De CEO is niet allesbepalend, hij is slechts een spin in het web, terzake kundig ondersteund door de raad van toezicht. Waar in het Amerikaanse ondernemingsmodel de CEO een ongekroonde keizer is, daar is de CEO in het Europese model iemand die het ondernemingsevenwicht bewaart. In feite is hij wat een CEO moet zijn: de leider van het managementteam. Hij besluit niet, hij geeft leiding aan het managementteam, en zorgt ervoor dat besluiten op de juiste wijze worden genomen. Daarnaast is hij degene die samen met zijn team nieuwe initiatieven ontplooit en uitwerkt, of nieuwe ideeën vanuit de organisatie faciliteert.

Een andere belangrijke aanjager is management- en organisatieontwikkeling. Ook hier is vertrouwen het sleutelwoord: men beschouwt managers en medewerkers niet als ‘human resources’, maar als de onderneming! Dat betekent dat openheid en transparante besluitvorming een sine qua non zijn. Alleen dan kun je gezamenlijk ontwikkelen en bouwen.

Dan de beloningsstructuur. Die is gebaseerd op de prestatie van de onderneming als geheel. Dus of de bedrijfsdoelstellingen worden bereikt. Om de zaak volkomen zuiver te houden, is het uit den boze dat managers of medewerkers aandelen bezitten. Het eigenbelang mag nooit prevaleren boven het algemeen belang, zelfs de verlokking daartoe moet worden uitgebannen.

Kalff is realist genoeg om te signaleren dat sommige zaken op dit moment nog niet geheel uit de verf komen. Anderzijds is hij ‘ondernemer’ genoeg om hardop te zeggen dat dit de enige manier is. Je zult moeten samenwerken en vertrouwen winnen om datgene te doen dat op langere termijn soelaas biedt: waarde creëren.

Eigen bronnen eerst

De redenering achter het adagium ‘eigen bronnen eerst’ is bijzonder helder: waarom telkens eindige bronnen van buitenaf aanboren als je eigen bron oneindig is. Vergelijk het met een kind: geef ze tien auto’s en ze spelen, geef ze er tien bij, en ze spelen nog altijd. Hetzelfde! Alleen zijn ze even afgeleid door het nieuwe, en lijkt het dat ze meer tevreden zijn. Maar het kind dat niet meer dan tien auto’s heeft, gaat zelf dingen erbij zoeken. Hij bouwt van blokken een garage, maakt van karton een weg. Of gaat met zijn tien auto’s spelen met een vriendje die ook tien auto’s heeft. Kortom, hij creëert waarde, zonder dat dat iets extra’s kost. Terwijl het kind met twintig auto’s al snel dertig auto’s verlangt. Zonder dat dat iets toevoegt aan zijn spelplezier.

Fuseren of samenwerken?

Waarde creëren doe je dus door je eigen bronnen aan te boren en door samenwerking. Kallf is hier bijzonder ondubbelzinnig is: waarom zou je het buiten zoeken als het binnen aanwezig is. En dat tegen aanzienlijk minder kosten. En als het dan toch buiten moet zoeken, kies dan voor de weg van samenwerking in plaats van harde concurrentie. Zowel binnen als buiten de onderneming. En dat brengt ons bij het specifieke Europese klimaat: fusies en overnames leiden, behalve tot waardedestructie vanwege de enorme kosten, in Europa al gauw tot een verbod van de mededingingsautoriteit. Bovendien is het verschil in cultuur en ondernemingsklimaat binnen Europa niet bepaald een voedingsbodem voor grootschalige overnames. Dat is bijna on-Europees.

Maak dus van de kracht een echte kracht. Vertrouwen dat binnen elke onderneming al de aanjager is voor waardecreatie, is tevens een meer dan gezonde basis om allianties aan te gaan, in plaats van met geweld een ander over te nemen. Op die manier maak je gebruik van andermans specifieke sterke punten, zonder dat één van de partijen zijn eigen identiteit, en specifieke positie verliest: toegang tot elkaars markten, maar ook tot elkaars technologieën, met behoud van eigen identiteit en eigen waarde. Bovendien is samenwerking een probaat middel om de benodigde flexibiliteit te behouden.

Bouwen in plaats van vernietigen

Europa is een continent waar momenteel conflicten op diplomatieke wijze worden opgelost. Op basis van respect en vertrouwen. De geschiedenis heeft wat dat betreft zijn sporen wel nagelaten. Maar Europa mag dan één worden, dat betekent niet dat daarmee elke culturele grens niet meer bestaat. Hetzelfde geldt voor Europese ondernemingen. Hoewel de markt één is, blijven de specifieke lokale condities hetzelfde. Verovering is dan een optie, maar gezien de traditie en politieke koers is samenwerking veel functioneler.

Vertrouwen en samenwerking is volgens Kalff de enige vruchtbare weg. Tot duurzaamheid maar ook tot economische voorspoed. Wantrouwen en tegenwerking leiden tot alleen maar verzet. Waarbij uiteindelijk de kosten niet opwegen tegen de baten. Het opbouwen van vertrouwen en die relatie onderhouden, is de essentie van het Europese ondernemingsmodel. En dat terwijl het Amerikaanse ondernemingsmodel de vernietiging van vertrouwen als kenmerk heeft. Alles moet wijken voor winst, onder het mom van aandeelhoudersbelang.

Waardecreatie wordt volgens Kalff de alom beslissende kritieke succesfactor. Dat was het al natuurlijk, maar nu als gevolg van de malaise eind vorige eeuw het vertrouwen tussen financiers en ondernemingen fundamenteel is beschadigd, en de benzine voor de Amerikaanse motor dus schaars wordt, zal dat alleen maar duidelijker worden. Het Amerikaanse ondernemingsmodel moet het hebben van externe input, terwijl het Europese ondernemingsmodel op eigen kracht kan varen.

Onafhankelijkheid voor Europa. Het einde van het Amerikaanse ondernemingsmodel is typisch zo’n boek dat vraagt om overdenking, dus om tijd. En dus moeilijk kan worden weergegeven in een paar woorden. Het is een boek dat op het nachtkastje hoort, of mee moet op vakantie. Elke conclusie roept vragen op, elke constatering ergernis. Zeker in een tijd waarin het Amerikaanse denken zo de overhand heeft. Vandaar tot slot de woorden van Fons Trompenaars: ‘Kalff analyseert in dit boek de fundamentele tekortkomingen van de Angelsaksische ondernemingscultuur en schetst de contouren van een sterk concurrerend Europees alternatief. Verplichte literatuur.’


17 december 2004 | Jaap Peters

Sommige boeken moet je hebben gelezen als manager. Het boek van Donald Kalff is er zo één die je niet mag missen. De ondertitel 'Het einde van het Amerikaanse ondernemingsmodel' is explicieter dan het wel erg brave 'Onafhankelijkheid voor Europa'. Je moet dit boek plaatsen in een trend van kritische managementboeken die het doorgeslagen Amerikanisme in onze organisaties aan de kaak stelt. 'Met gevoel voor realiteit' van Wim van Dinten was er één, maar ook het gloednieuwe boek van Henry Mintzberg 'Managers Not MBA's' (nu ook vertaald verkrijgbaar) mag je plaatsen in dit ontluikende patroon. Schrijvers die constateren dat de schandalen bij Enron, Anderson, Wordcom, Ahold en Shell niet op zichzelf staan, maar het gevolg zijn van 'calculerende' werkwijzen die mensen aanzetten tot list, bedrog en het creëren van een fundamenteel wantrouwen jegens elkaar. Mintzberg stelt het keihard: The MBA (red. MBA-opleiding) trains the wrong people in the wrong ways with the wrong consequences (bij Enron werden 250 MBA-ers per jaar aangenomen)'.

Critici op de Angelsaksische werkwijze wordt altijd direct de mond gesnoerd, want er wordt immers handenvol geld dankzij die Amerikaanse denkwijze verdiend. En geld is nu eenmaal DE maatstaf voor succes. En dan is er ineens het boek van Donald Kalff die op basis van zijn proefschrift tot de conclusie komt dat die Amerikaans aangestuurde ondernemingen helemaal niet zo succesvol zijn, integendeel. Het is wat we altijd al dachten: gebakken lucht. De reacties in Amerika op al die schandalen hebben niet geleid tot hervorming, maar tot nog meer regels. Het past in het Amerikaanse wereldbeeld: alles is geoorloofd dat (nog) niet juridisch of contractueel verboden is. In Hoofdstuk 1 worden de vijf hoofdkenmerken van Amerikaanse ondernemingen doorgenomen: organisaties die worden ontworpen als money-making-machines. In het lastig te lezen Hoofdstuk 2 wordt eens nauwkeurig de prestatie van de Amerikaanse economie nagemeten en zien we de tekorten op de betalingsbalansen alsmaar stijgen (terwijl ik dit schrijf - 27 november 2004 - is de Euro nog nooit zoveel waard geweest ten opzichte van de Dollar). Met de bedrijfsschulden is het niet anders en ze zullen waarschijnlijk ook niet meer kunnen worden terugbetaald. 'Het is tegelijk ironisch en tragisch dat zakenmensen, bankiers en analisten uit naam van de aandeelhouder op ongekende schaal aandeelhouderswaarde hebben vernietigd' is de slotzin van Hoofdstuk 2. In landbouwtermen is er maar één woord voor: roofbouw.

De hoofdstukken 3 en 4 borduren daar nog even verder op door: de Californische elektriciteitscrisis en de betrouwbaarheid van de energieleveranties doordat dankzij just-in-time-delivery alle tussenvoorraden zijn verdwenen, met als gevolg dat een kleine verstoring leidt tot tekorten en een steeds grilliger prijsverloop.

Bij een stagnerende economie blijkt het Amerikaanse ondernemingsmodel eerder averechts te werken. Bovendien ontstaan steeds meer onbedoelde gevolgen en onzichtbare kosten, zoals het onderdrukken van creativiteit en initiatieven in de kiem. Een belangrijke mythe wordt bloot gelegd: CEO's hebben nauwelijks invloed. Het leeuwendeel van het bedrijfsresultaat wordt veroorzaakt door beslissingen uit het verleden (zei Joop den Uyl niet ooit: 'de marges van de democratie zijn smal' Een regering wordt voor 95% geconfronteerd met uitgaven die in een ver verleden zijn besloten). CEO's kunnen hun beloftes dus nooit waarmaken en moeten daarom binnen vier jaar verdwijnen. Uiteindelijk verdwijnt ook iedere diversificatie, dat is maar ondoorzichtig. MBA-ers kunnen niet tegen complexiteit. Uiteindelijk werd iedereen van bankier en manager tot consultant onderdeel van het voetvolk voor de aandeelhouder en werd onbedoeld de waardevernietiging van bedrijven ingezet.

In hoofdstuk 5 en 6 wordt nagedacht over een alternatief: het Europese ondernemingsmodel, wat we van oorsprong in eigen huis hebben. In zekere zin is het erg simpel: doe alles 180% tegenovergesteld aan het Amerikaanse model. Een tipje van sluier: integriteit aan de top en geen graaiers, een gecommitteerde goed geïnformeerde Raad van Toezicht, inhoudelijk deskundigen in het bestuur, groei van binnenuit de onderneming en niet door overname, allianties in plaats van fusies, concentratie op de organisatie in plaats van op de aandeelhouder, richt je op de echte kasstroom en niet op de boekhoudkundige 'papieren' winsten, ga van monoculturen weer naar een diversificatiestrategie, laat dingen ontstaan en ontwerp niet alles, er zijn meer financieringsarrangementen dan de beurs, het management gaat zelf (!) weer voorop in de strijd , etcetera. (lees de rest zelf maar).

Het boek biedt voor mensen die 'slachtoffer' zijn van het Amerikaanse model woorden om hun intuïtieve weten handen en voeten te geven. Het is geschreven door iemand die uit die wereld voorkomt en dat is interessant. Dat is toch anders dan een professor die vanaf de zijlijn kritiek heeft op het Angelsaksische managementdenken. Ik vond het heerlijk om een boek te lezen dat ergens over gaat en waarbij je te maken hebt met een schrijver die niet klakkeloos achter de standaardhypes aanloopt. En het mooiste van alles: er is hoop voor Europa en dat is wel zo geruststellend in deze moeilijke economische tijden!


Onafhankelijkheid voor Europa
17 december 2004 | Jaap Peters

Sommige boeken moet je hebben gelezen als manager. Het boek van Donald Kalff is er zo één die je niet mag missen. De ondertitel 'Het einde van het Amerikaanse ondernemingsmodel' is explicieter dan het wel erg brave 'Onafhankelijkheid voor Europa'. Je moet dit boek plaatsen in een trend van kritische managementboeken die het doorgeslagen Amerikanisme in onze organisaties aan de kaak stelt. 'Met gevoel voor realiteit' van Wim van Dinten was er één, maar ook het gloednieuwe boek van Henry Mintzberg 'Managers Not MBA's' (nu ook vertaald verkrijgbaar) mag je plaatsen in dit ontluikende patroon. Schrijvers die constateren dat de schandalen bij Enron, Anderson, Wordcom, Ahold en Shell niet op zichzelf staan, maar het gevolg zijn van 'calculerende' werkwijzen die mensen aanzetten tot list, bedrog en het creëren van een fundamenteel wantrouwen jegens elkaar. Mintzberg stelt het keihard: The MBA (red. MBA-opleiding) trains the wrong people in the wrong ways with the wrong consequences (bij Enron werden 250 MBA-ers per jaar aangenomen)'. Critici op de Angelsaksische werkwijze wordt altijd direct de mond gesnoerd, want er wordt immers handenvol geld dankzij die Amerikaanse denkwijze verdiend. En geld is nu eenmaal DE maatstaf voor succes. En dan is er ineens het boek van Donald Kalff die op basis van zijn proefschrift tot de conclusie komt dat die Amerikaans aangestuurde ondernemingen helemaal niet zo succesvol zijn, integendeel. Het is wat we altijd al dachten: gebakken lucht. De reacties in Amerika op al die schandalen hebben niet geleid tot hervorming, maar tot nog meer regels. Het past in het Amerikaanse wereldbeeld: alles is geoorloofd dat (nog) niet juridisch of contractueel verboden is. In Hoofdstuk 1 worden de vijf hoofdkenmerken van Amerikaanse ondernemingen doorgenomen: organisaties die worden ontworpen als money-making-machines. In het lastig te lezen Hoofdstuk 2 wordt eens nauwkeurig de prestatie van de Amerikaanse economie nagemeten en zien we de tekorten op de betalingsbalansen alsmaar stijgen (terwijl ik dit schrijf - 27 november 2004 - is de Euro nog nooit zoveel waard geweest ten opzichte van de Dollar). Met de bedrijfsschulden is het niet anders en ze zullen waarschijnlijk ook niet meer kunnen worden terugbetaald. 'Het is tegelijk ironisch en tragisch dat zakenmensen, bankiers en analisten uit naam van de aandeelhouder op ongekende schaal aandeelhouderswaarde hebben vernietigd' is de slotzin van Hoofdstuk 2. In landbouwtermen is er maar één woord voor: roofbouw.

De hoofdstukken 3 en 4 borduren daar nog even verder op door: de Californische elektriciteitscrisis en de betrouwbaarheid van de energieleveranties doordat dankzij just-in-time-delivery alle tussenvoorraden zijn verdwenen, met als gevolg dat een kleine verstoring leidt tot tekorten en een steeds grilliger prijsverloop.

Bij een stagnerende economie blijkt het Amerikaanse ondernemingsmodel eerder averechts te werken. Bovendien ontstaan steeds meer onbedoelde gevolgen en onzichtbare kosten, zoals het onderdrukken van creativiteit en initiatieven in de kiem. Een belangrijke mythe wordt bloot gelegd: CEO's hebben nauwelijks invloed. Het leeuwendeel van het bedrijfsresultaat wordt veroorzaakt door beslissingen uit het verleden (zei Joop den Uyl niet ooit: 'de marges van de democratie zijn smal' Een regering wordt voor 95% geconfronteerd met uitgaven die in een ver verleden zijn besloten). CEO's kunnen hun beloftes dus nooit waarmaken en moeten daarom binnen vier jaar verdwijnen. Uiteindelijk verdwijnt ook iedere diversificatie, dat is maar ondoorzichtig. MBA-ers kunnen niet tegen complexiteit. Uiteindelijk werd iedereen van bankier en manager tot consultant onderdeel van het voetvolk voor de aandeelhouder en werd onbedoeld de waardevernietiging van bedrijven ingezet.

In hoofdstuk 5 en 6 wordt nagedacht over een alternatief: het Europese ondernemingsmodel, wat we van oorsprong in eigen huis hebben. In zekere zin is het erg simpel: doe alles 180% tegenovergesteld aan het Amerikaanse model. Een tipje van sluier: integriteit aan de top en geen graaiers, een gecommitteerde goed geïnformeerde Raad van Toezicht, inhoudelijk deskundigen in het bestuur, groei van binnenuit de onderneming en niet door overname, allianties in plaats van fusies, concentratie op de organisatie in plaats van op de aandeelhouder, richt je op de echte kasstroom en niet op de boekhoudkundige 'papieren' winsten, ga van monoculturen weer naar een diversificatiestrategie, laat dingen ontstaan en ontwerp niet alles, er zijn meer financieringsarrangementen dan de beurs, het management gaat zelf (!) weer voorop in de strijd , etcetera. (lees de rest zelf maar).

Het boek biedt voor mensen die 'slachtoffer' zijn van het Amerikaanse model woorden om hun intuïtieve weten handen en voeten te geven. Het is geschreven door iemand die uit die wereld voorkomt en dat is interessant. Dat is toch anders dan een professor die vanaf de zijlijn kritiek heeft op het Angelsaksische managementdenken. Ik vond het heerlijk om een boek te lezen dat ergens over gaat en waarbij je te maken hebt met een schrijver die niet klakkeloos achter de standaardhypes aanloopt. En het mooiste van alles: er is hoop voor Europa en dat is wel zo geruststellend in deze moeilijke economische tijden!


11 november 2004 | Peter de Roode

De timing van dit boek had niet beter gekund. In een periode waarin de Nederlandse regering de oplossing gevonden meent te hebben om de (kennis)economie uit het slop te halen met meer, langer en harder te werken, trakteert Kalff de lezer op andere perspectieven. We zouden ons niet langer moeten richten op het Amerikaanse business model maar dienen het Europese bedrijfsmodel in ere te herstellen. Toch vraag je je als lezer onwillekeurig af wie daar nog in gelooft, nu óók de politiek steeds meer veramerikaniseert. Tevens ontbreekt enige kritische blik ten opzichte van het Europese model. Desondanks is 'Onafhankelijkheid voor Europa' een zeer lezenswaardig boek doordat Kalff goed weergeeft wat de effecten zijn voor de korte en lange termijn van het opdrijven van de aandeelhouderswaarde.

'Onafhankelijkheid voor Europa' is grofweg in tweeën te splitsen: de kritiek op het Amerikaanse businessmodel en het bespreken van het Europese model als alternatief. Het eerste gedeelte wordt breed uitgemeten en van veel feiten en details voorzien. Het tweede gedeelte daarentegen blijft wat steken op het niveau van algemeenheden.

Kalff zet zich dus af tegen het Angelsaksische model ten faveure van het zogenaamde Rijnlandmodel. Dit laatste model heeft volgens Kalff de toekomst, sterker nog: het zou het economisch tij kunnen keren. In zijn boek schenkt de auteur alle aandacht aan de kenmerken van het Angelsaksisch model en komt tot de conclusie dat een van de best bewaarde geheimen van het Amerikaanse businessmodel de prijs is die aandeelhouders, werknemers en klanten moeten betalen voor de onbedoelde gevolgen van dit model. Het is inmiddels publiekelijk bekend dat het rücksichtslos afstevenen op aandeelhouderswaarde zijn tol eist. Deze werkwijze, vaak aangeduid als anorexiastrategie, kent een aantal bijwerkingen die ernstig ingrijpen op de kwaliteit van het leven. Overwerk, stress, burn-out, demotivatie als gevolg van het permanente reorganiseren en fuseren zijn zo enkele van de bekende symptomen. Ook banenverlies, waardevernietiging fraudeschandalen en zelfverrijking kunnen daar aan toegevoegd worden. We kennen de voorbeelden zo langzamerhand. De vraag of dit alles toegeschreven kan worden aan het Amerikaanse businessmodel. Kalff is daarvan overtuigd, de auteur krijgt daarin bijval van Mintzberg (in bijvoorbeeld 'Managers not MBA's') die eerder stevig uithaalde naar de Amerikaanse manier van zakendoen en opleiden (MBA).

Toch zijn bovenvermelde symptomen ook ons land niet vreemd. Zowel bij overheidsinstellingen als ook bij de niet-beursgenoteerde ondernemingen treffen we ze aan. De vraag is dan vervolgens of deze organisaties zo 'Amerikaans' worden aangestuurd dat daardoor een cultuur van wantrouwen en achterdocht ontstaat die tot onethisch handelen leidt. Op deze vraag moet de lezer het antwoord schuldig blijven. Wat in ieder geval duidelijk wordt uit Kalffs boek is dat concurrentievoordeel bereiken in de 21e eeuw een andere aanpak vereist dan concurreren op prijs. Immers door deze aanpak gaan steeds meer producten en diensten op elkaar gaan lijken. Natuurlijk blijven financiële kengetallen belangrijk maar de nieuwe thema's gaan over interne groei en samenwerking. Concurreren en samenwerken lijken echter moeilijk te combineren. Daarom zullen de Europese lidstaten eerst de handen ineen moeten slaan om tot samenwerking te komen. Pas dan kan de concurrentiestrijd met Amerika aangegaan worden.

Kalff stelt echter dat een brede visie op Europa ontbreekt. Er zou minder sprake zijn van het navolgen van het grote Amerikaanse voorbeeld, maar evenmin van het nastreven van Europese idealen. De lidstaten zouden zich steeds meer laten leiden door eigen nationale belangen. Toch is Kalff optimistisch over de kansen van Europa. Zijn argumentatie daarvoor is dat de Europese waarden meer 'gemeenschappelijkheid' en 'holistisch' van aard zouden zijn in tegenstelling tot de Amerikaanse waarden 'individualisering' en 'analyse'. Of hij daarmee voldoende rekening heeft gehouden met de toenemende trend van individualisering is echter zeer de vraag. We lijken daarom eerder toe te groeien naar het Amerikaanse model dan naar het Europese. Wat kan het tij nog keren?


Onafhankelijkheid voor Europa
11 november 2004 | Peter de Roode

De timing van dit boek had niet beter gekund. In een periode waarin de Nederlandse regering de oplossing gevonden meent te hebben om de (kennis)economie uit het slop te halen met meer, langer en harder te werken, trakteert Kalff de lezer op andere perspectieven. We zouden ons niet langer moeten richten op het Amerikaanse business model maar dienen het Europese bedrijfsmodel in ere te herstellen. Toch vraag je je als lezer onwillekeurig af wie daar nog in gelooft, nu óók de politiek steeds meer veramerikaniseert. Tevens ontbreekt enige kritische blik ten opzichte van het Europese model. Desondanks is 'Onafhankelijkheid voor Europa' een zeer lezenswaardig boek doordat Kalff goed weergeeft wat de effecten zijn voor de korte en lange termijn van het opdrijven van de aandeelhouderswaarde. 'Onafhankelijkheid voor Europa' is grofweg in tweeën te splitsen: de kritiek op het Amerikaanse businessmodel en het bespreken van het Europese model als alternatief. Het eerste gedeelte wordt breed uitgemeten en van veel feiten en details voorzien. Het tweede gedeelte daarentegen blijft wat steken op het niveau van algemeenheden.

Kalff zet zich dus af tegen het Angelsaksische model ten faveure van het zogenaamde Rijnlandmodel. Dit laatste model heeft volgens Kalff de toekomst, sterker nog: het zou het economisch tij kunnen keren. In zijn boek schenkt de auteur alle aandacht aan de kenmerken van het Angelsaksisch model en komt tot de conclusie dat een van de best bewaarde geheimen van het Amerikaanse businessmodel de prijs is die aandeelhouders, werknemers en klanten moeten betalen voor de onbedoelde gevolgen van dit model. Het is inmiddels publiekelijk bekend dat het rücksichtslos afstevenen op aandeelhouderswaarde zijn tol eist. Deze werkwijze, vaak aangeduid als anorexiastrategie, kent een aantal bijwerkingen die ernstig ingrijpen op de kwaliteit van het leven. Overwerk, stress, burn-out, demotivatie als gevolg van het permanente reorganiseren en fuseren zijn zo enkele van de bekende symptomen. Ook banenverlies, waardevernietiging fraudeschandalen en zelfverrijking kunnen daar aan toegevoegd worden. We kennen de voorbeelden zo langzamerhand. De vraag of dit alles toegeschreven kan worden aan het Amerikaanse businessmodel. Kalff is daarvan overtuigd, de auteur krijgt daarin bijval van Mintzberg (in bijvoorbeeld 'Managers not MBA's') die eerder stevig uithaalde naar de Amerikaanse manier van zakendoen en opleiden (MBA).

Toch zijn bovenvermelde symptomen ook ons land niet vreemd. Zowel bij overheidsinstellingen als ook bij de niet-beursgenoteerde ondernemingen treffen we ze aan. De vraag is dan vervolgens of deze organisaties zo 'Amerikaans' worden aangestuurd dat daardoor een cultuur van wantrouwen en achterdocht ontstaat die tot onethisch handelen leidt. Op deze vraag moet de lezer het antwoord schuldig blijven. Wat in ieder geval duidelijk wordt uit Kalffs boek is dat concurrentievoordeel bereiken in de 21e eeuw een andere aanpak vereist dan concurreren op prijs. Immers door deze aanpak gaan steeds meer producten en diensten op elkaar gaan lijken. Natuurlijk blijven financiële kengetallen belangrijk maar de nieuwe thema's gaan over interne groei en samenwerking. Concurreren en samenwerken lijken echter moeilijk te combineren. Daarom zullen de Europese lidstaten eerst de handen ineen moeten slaan om tot samenwerking te komen. Pas dan kan de concurrentiestrijd met Amerika aangegaan worden.

Kalff stelt echter dat een brede visie op Europa ontbreekt. Er zou minder sprake zijn van het navolgen van het grote Amerikaanse voorbeeld, maar evenmin van het nastreven van Europese idealen. De lidstaten zouden zich steeds meer laten leiden door eigen nationale belangen. Toch is Kalff optimistisch over de kansen van Europa. Zijn argumentatie daarvoor is dat de Europese waarden meer 'gemeenschappelijkheid' en 'holistisch' van aard zouden zijn in tegenstelling tot de Amerikaanse waarden 'individualisering' en 'analyse'. Of hij daarmee voldoende rekening heeft gehouden met de toenemende trend van individualisering is echter zeer de vraag. We lijken daarom eerder toe te groeien naar het Amerikaanse model dan naar het Europese. Wat kan het tij nog keren?


Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden