Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
De ambachtsman
6 december 2016 | Paul Misdorp

De ambachtsman van de beroemde arbeidssocioloog Richard Sennett heeft zojuist z’n 10e druk beleefd en dateert al weer van acht jaar geleden. Toch reden om er een ogenblik bij stil te staan, omdat de relevantie onmiskenbaar is.

Hoog ziekteverzuim, burnout, moeizame innovatie, ontmoedigende signalen over wet-en regelgeving voor ZZP-ers, het zijn allemaal signalen van een versleten arbeidsbestel. Vanuit een nieuwe kijk op vakmanschap inspireert Sennett ons na te denken over waar het in ons arbeidsbestel aan mankeert. Ruimer nog: zijn insteek blijkt het karakter te hebben van een cultuurkritiek, maar wel vanuit een toekomst die inspireert.

Sennett gaat in op de geschiedenis van het vakmanschap en pluist vanuit vele verschillende disciplines (bv. pottery, artsenij, vioolbouw, kookkunst, onderwater tunnelbouw, architectuur, etc.) uit hoe nauw lichaam en geest samenhangen, hoe materiaalkennis en kennis van techniek en gereedschappen, maar ook de context van werkplaatsen bepalend zijn voor de kwaliteit van product en dienst. Vakmanschap verwijst naar een duurzame, basale menselijke drijfveer, namelijk het verlangen om het werk goed uit te voeren omwille van het werk zelf. Dat vereist ook de vaardigheden om goed werk af te kunnen leveren. Kenmerkend voor de vakman is dat hij geleidelijk aan een roeping heeft. Hij wordt als het ware geroepen datgene te doen, waar hij goed in is. Daarnaast is sprake van een geleidelijke groei van kennis en vaardigheden. Beide elementen zijn essentieel in het pleidooi van Sennett voor een herwaardering van vakmanschap in de nieuwe tijd. De roeping komt voort uit een innerlijke obsessie om kwaliteit te leveren en wordt mogelijk door optimaal gebruik te maken van het aanwezige talent. Dit is het vermogen om gebruik te maken van ieders aangeboren superieure middelen, zonder bij de superioriteit ervan stil te blijven staan.

Het proces dat de vakman doorloopt en al zichtbaar wordt in het gildenwezen (van leerling naar gezel naar meesterschap) is te omschrijven als het geleidelijke en reflectieve proces om te lokaliseren (aangeven waar iets belangrijks plaatsvindt), te bevragen (schetsen van de achtergrond) en uit te breiden (de complexiteit te vergroten om anders te leren kijken). Door dit proces ontwikkelt de vakman ervaring, zowel door veelvuldig te oefenen, als ook door steeds stil te staan bij de vraag ‘of het goed voelt’, zowel fysiologisch, technisch als ethisch. Daarmee zijn we aanbeland bij de kern van het boek. De vakman is geen simpele uitvoerder van een vooropgezet plan, maar reflectieve practioner, die tijd neemt, nadenkt en zelfs bereid is om terug te keren op zijn schreden. Als namelijk blijkt dat de bekoringen van het werk tot middel worden verheven om bij te dragen aan een onwenselijk maatschappelijk effect (denk bijvoorbeeld aan de uitvinders van de atoombom). De vakman vaart dus op een ethisch kompas, durft trots te zijn en draagt bij aan een duurzame samenleving, waarin de mens centraal staat.

Wat is nu de relevantie van dit theoretisch-historische boek? In welke traditie staat het boek en voor wie is het relevant om te lezen? De waarde van het boek is vooral gelegen in het besef dat onze huidige liberale marktsamenleving, ons arbeidsbestel en onze arbeidsorganisaties uitgaan van verkeerde aannames. De stille premisse is immers dat de ongelijkheid tussen mensen niet alleen een biologisch feit is, maar ook een culturele waarheid waarmee we iedereen langs de meetlat van de intelligentiequotiënt kunnen leggen en daarmee ‘waardevol’ en ‘niet-waardevol’ denken te kunnen definiëren. Niets is minder waar: alle mensen blijken gemiddeld over ongeveer dezelfde capaciteit te beschikken om goed werk af te leveren. Deze verloopt via het spel – bijna alle kinderen leren spelen, grenzen verkennen, kwaliteiten te ontwikkelen – naar het opsporen en oplossen van problemen op het werk. Als we naar onze beschaving kijken door de bril van vakmanschap dan kunnen we constateren dat we slordig, zo niet onethisch omgaan met mensen die kwaliteit hebben en kunnen (leren) leveren. We herkennen geen kwaliteit en denken bovendien nog dat we voor het goede gaan. Misleiding in de ogen van Sennett. De snelheid van antwoorden (in tests) van handelen (in het werk) en reageren (in een gesprek) staan erkenning, continuïteit en dialoog in de weg en leiden dus tot meer van hetzelfde, maar niet tot de echte vraag, laat staan tot een plausibel antwoord op die vraag.

Het boek staat in de traditie van het pragmatisme, waarin de verbetering van kwaliteit tot stand komt door oefening, disciplinering, herhaling en routinevorming (Bildung). Techniek, expressie, vrije ruimte, spel en werk zijn nauw met elkaar verbonden en moeten dat ook zijn om kwaliteit te bieden, trots te voelen en plezier te beleven. Het zal duidelijk zijn dat Sennetts boek inspiratiebron is voor organisaties en professionals die willen veranderen, zich willen bekwamen, streven naar ‘gemeenschappelijk werkvermogen’ – zelfsturing – en aansluiting zoeken bij andere burgers. Volgens Sennett kan vakmanschap bijdragen aan versterking van de democratie.

Paul Misdorp is Directeur van VinNDT (Veranderen in Nieuw Denken Toepassen) en kennispartner van Zeelenberg, adviseurs voor Mens en Organisatie en van de Van Gemertgroep.


18 september 2009 | Anne-Mieke Vermeer

Als Richard Sennett geen blessure aan zijn hand had opgelopen, hadden wij hem nu waarschijnlijk gekend als musicus. Zijn studies geschiedenis en sociologie waren een tweede keus, maar dat doet niets af aan zijn enthousiasme en succes. In 'De ambachtsman' verkent hij het brede terrein van vakmanschap. Hij benadert het onderwerp vanuit de sociologie, plaatst het in een historisch kader en doorspekt zijn betoog met voorbeelden waarin we zijn hobby's (muziek en koken) terugzien.

Aanleiding voor 'De ambachtsman' was een gesprek uit 1962 tussen Richard Sennett en zijn docente Hannah Arendt, filosoof en auteur van 'The Human Condition'. Zij betoogde namelijk naar aanleiding van Los Alamos en de Cubacrisis dat mensen die dingen maken, gewoonlijk niet weten wat ze aan het doen zijn en dat de politiek daarom een leidende rol dient te hebben. Sennett was het niet eens met haar standpunt, maar had blijkbaar 45 jaar ontwikkeling nodig om haar van repliek te kunnen dienen. Dit boek is dan eindelijk het antwoord aan Arendt: de auteur ziet juist een innige band tussen hand en hoofd en onderzoekt wat het proces van vervaardiging van concrete dingen over onszelf leert. Daartoe bestudeert hij de vakman, die het verlangen heeft om werk goed te doen omwille van het werk.

De auteur neemt ons mee op een ruim 300 pagina's durende verkenningstocht waarin we veel te weten komen over ambachten: waarom Linux-ontwikkelaars zo succesvol zijn, waarom de zilversmeden baat hadden bij het middeleeuwse gildensysteem, waarom niemand Stradivarius heeft kunnen evenaren en het dilemma van het hedendaagse medische personeel. Maar ook de ontwikkeling van het pottenbakkerswiel, waarom het hakmes zo essentieel is voor de Chinese keuken, hoe de ontwikkeling van de baksteen het aanzien van steden veranderd heeft, waarom Loos een beter huis ontwierp dan Wittgenstein, de worsteling van de musicus om technisch vaardig te worden, verschillende manieren waarop een chefkok zijn recept kan doorgeven. Leuk om te lezen, onderhoudend geschreven, maar dat is uiteindelijk niet waar het Sennett om te doen is. Het zijn slechts vehikels om zijn betoog verder te helpen.

En daar waar Sennett zijn punt wil maken, vind ik zijn betoog minder makkelijk leesbaar. Gelukkig helpt Sennett om de grote lijn in het oog te houden door samenvattingen te geven in de paragraaf 'Het project' en aan het slot van het eerste en tweede deel. Het heeft mij erg geholpen daar af en toe naar terug te bladeren. Omdat Sennett zoveel zegt in dit boek, kan ik slechts een samenvatting van een samenvatting geven.

Vakmensen staan centraal in het eerste deel; hoe ze in de problemen komen doordat loyaliteit niet langer gewaardeerd wordt, efficiency belangrijker werd dan vakmanschap en door tegenstrijdige normen voor kwaliteit. Sennett brengt de geschiedenis van de werkplaats in kaart, evenals het effect van machines op het vakmanschap. En hij verkent uitgebreid het materieel bewustzijn van de vakman.

De auteur vervolgt met een deel over het vak, de ontwikkeling van vaardigheden die altijd begint als lichamelijke oefening, verbeeldingskracht die het technisch begrip vergroot, over hoe hand en oog samenwerken, gereedschappen. Sennett rond af met een deel over vakmanschap, dat door motivatie en talent bepaald wordt en over de ethische vragen die de vakman tegenkomt.

Ten slotte keert Sennett terug bij zijn beginpunt, de filosofie, en weerlegt hij de visie van Arendt. De politiek moet de vakman niet sturen; juist in het verwerven van vakmanschap en het leren goed te werken ziet Sennett de basis voor goed burgerschap. Het is eigenlijk wel heel veel tekst om een overleden docent mee van repliek te dienen. Maar het heeft een prachtig boek opgeleverd, dat het verdient om aandachtig gelezen en herlezen te worden.


Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden