Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
Wij wijzen u graag op het volgende
Door drukte rondom de feestdagen zijn de levertijden van PostNL aangepast en kan uw pakket vertraging oplopen
8 maart 2002 | Erwin van de Pol

Nederland kent ruim een half miljoen familiebedrijven. Veel ondernemingen zijn ontstaan en gegroeid uit familie ondernemingen. Philips, Océ en Albert Heijn zijn bekende voorbeelden. Onder historici woedt al jarenlang het 'Family Firm Debate'. Kernvraag in dit debat is welke rol familiebedrijven hebben gespeeld in de economische ontwikkeling na de industrialisatie. Met name de Amerikaan Chandler heeft betoogd dat 'managerial firms', dat wil zeggen bedrijven die niet door families worden geleid, maar door professionele managers, succesvoller en efficiënter zijn geweest. De Nederlandse historica Doreen Arnoldus is een verklaard tegenstander van, in haar woorden, Chandlers generalisaties en het zwart-wit kader van waaruit hij blind is voor de verscheidenheid aan organisatiestructuren en managementstijlen van familiebedrijven. Met familisme, het idee dat ondernemersfamilies hun eigen belangen laten prevaleren boven die van de firma en het daarbij behorende paternalisme, rekent Arnoldus ferm af. Haar proefschrift over de geschiedenis van zes bekende Nederlandse familiebedrijven tussen 1880 en 1970 prikt een aantal cliché's over familiebedrijven door.

En hoe! Arnoldus heeft haar onderzoek op een boeiende wijze gestructureerd. Ze heeft zes bedrijven uit de voedselindustrie in twee regio's met verschillende sociale netwerken onderzocht, omdat ze vermoedde dat omgevingsfactoren van belang moeten zijn geweest. De Zaanse, veelal door doopsgezinden geleide bedrijven Duyvis, Wessanen & Laan en Het Hart & De Zwaan voorheen Adriaan Honig en de joodse familiebedrijven Van den Bergh, Van Zwanenberg en Hartog in Oss zijn doorgelicht op de vraag hoe familiebedrijven functioneerden en hoe het familiekarakter doorwerkte in de strategieën van deze ondernemingen. Het gaat daarbij om interne opvolgingsstrategieën en de daaruit voortkomende organisatiestructuren en juridische aspecten en met als gevolg daarvan de externe strategieën op de kapitaalmarkt, de grondstoffenmarkt, de afzetmarkt en de arbeidsmarkt.

Het woord strategie geeft in het onderzoek aanleiding tot interessante verschillen in beleving. Geschiedenis is waarschijnlijk de enige tak van wetenschap waarbij onderzoeksresultaten uit welke andere wetenschap dan ook gebruikt kunnen worden. Opvallend is echter dat Arnoldus maar mondjesmaat de resultaten van de bedrijfskunde kan gebruiken. Verkenning van het begrip strategie leidt tot de constatering dat er een berg literatuur over het begrip is in de organisatiekunde, maar dat niemand in deze tak van wetenschap een bevredigende term heeft kunnen opleveren. Mintzberg wordt erbij gehaald met zijn welbekende argument dat managers achteraf hun beslissing als een patroon herkennen om dat na gedane zaken als 'strategie' te rationaliseren. Uiteindelijk kiest Arnoldus ervoor om verder te gaan met een definitie van bedrijfshistorici en dan hebben we het gewoon over planning.

Michael Porter biedt meer soelaas. Met hulp van zijn concurrentiestrategieën geeft het onderzoek inzicht in het voordeel dat door differentiatie was te behalen in de voedselindustrie. De joodse bedrijven waren daarin door hun van begin af aan internationale oriëntatie zeer succesvol met Blue Band, Zwan, Bona, Unox, de pil van Organon en nog veel meer bekende merken. Ook het door en door Zaanse Duyvis had een goed oog voor marketing en besloot in de jaren vijftig de familienaam als merknaam te gaan exploiteren. Dat was nodig na de omslag van veevoer naar eetbare olieproducten. Dat was lang na de aandeelhoudersvergadering van de margarine 'uitvinders' Van den Bergh in 1911 waar zij uitgaven voor marketing überhaupt moesten uitleggen.

Het is één van de vele anekdotes die het boek naast de gedegen strategiestudies zo leesbaar maken. De Zaanse arbeidersmeisjes van Verkade komen voorbij in de conférences van Wim Kan, de chique meisjes van de familie Verkade zelf om de nauwe banden tussen de verschillende Zaanse ondernemersfamilies te illustreren en uitgelegd wordt waarom het dure, door de Osse bedrijven geleverde bacon volksvoedsel in Engeland werd (makkelijk goed te houden en ook koud te eten, dus kostte het geen dure brandstof).

Elk hoofdstuk bevat waardevolle informatie voor bedrijfskundige en historicus, zoals uitstapjes naar andere interessante familiebedrijven zoals Océ en de Twentse textielbedrijven. Een andere Zaans bedrijf, Albert Heijn, was een 'nieuwkomer' (pas Zaans vanaf 1800!) met alle gevolgen van dien. AH moest als eerste Zaans bedrijf naar de beurs, omdat het niet mocht meedoen aan de onderlinge kapitaalvoorziening. Maar de familie Heijn had ook last van de arrogantie van de andere Zaanse bedrijven, die voor de distributie van hun voedselproducten in de jaren vijftig niets zagen in zoiets als een supermarkt.

Waar heeft dit alles toe geleid? Ook het tijdperk van de afgelopen dertig jaar komt volop aan de orde, net als de periode voor 1880. Voor de Brabants-joodse bedrijven was internationalisatie het sleutelwoord met als gevolg Unilever. De Nederlands-Britse banden dateren al uit de negentiende eeuw. De Zaanse bedrijven dreven op een in de woorden van Arnoldus 'morele economie' waar het onderlinge netwerk nummer 1 was, overigens naast de traditionele zorg voor goede arbeidsverhoudingen. Al deze bedrijven of hun opvolgers zijn nu beursgenoteerd en niet meer zelfstandig, maar zeker nog niet aan het einde van hun geschiedenis.

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden