Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
De opleidingskundige is dood, leve de ontwerper
16 februari 2018 | Bert Peene

Een opleiding kun je uitbesteden, maar het leren niet. Die opvatting staat centraal in de nieuwste druk van Opleidingskunde (‘Leren in het werk, rond het werk en voor het werk’), bezorgd door Erik Deen en Mariël Rondeel. Leren is vooral een actief en sociaal proces waar mensen zelf eigenaar van zijn en verantwoordelijkheid voor dragen.

Het faciliteren van deze processen was decennialang de expertise van de opleidingskundige, wiens werkzaamheden kortweg neerkwamen op het analyseren van vraag, doel, beoogde bekwaamheden en leerresultaten, waarna een passende opleiding werd ingekocht of zelf ontwikkeld. Tegenwoordig is een opleidingskundige echter een sterk gespecialiseerde adviseur, die niet alleen technisch-instrumenteel van wanten weet maar ook kan adviseren, bijvoorbeeld over het verbinden van leren en werken. Dat vraagt een nieuwe kijk op opleidingskundige professionele identiteit. Aan die ontwikkeling wil dit boek een bijdrage leveren.

Deen en Rondeel zijn als adviseur en ontwerper verbonden aan Kessels & Smit, het bureau dat aan het eind van de jaren negentig werd opgericht door Joseph Kessels en Cora Smit, de ‘founding partners’ van de Opleidingskunde in Nederland. Kessels en Smit beschreven als een van de eersten hoe vraagstukken op het gebied van leren en ontwikkelen in organisaties op strategisch en praktisch niveau aangepakt konden worden. Hun boek Opleidingskunde: een bedrijfsgerichte benadering van leerprocessen geldt al een kleine dertig jaar als het standaardwerk voor iedere opleider.

Maar intussen is de wereld veranderd; rondom en dus ook in organisaties. Verandering is een constante factor geworden; capacity building is voor veel organisaties letterlijk van levensbelang. Mede daardoor is ook de kijk op professionals en professionaliteit veranderd. Manon Ruijters (in Liefde voor leren, uit 2015) omschrijft een professional als iemand die ervoor kiest en zich erop toelegt om met behulp van specialistische kennis en ervaring klanten op een competente en integere manier steeds beter van dienst te zijn. Maar de liefde kan niet van één kant komen, schrijven Ron van de Water en Mathieu Weggeman in Stagnatie van professionals (uit 2017). ‘Om als professional te kunnen ontwikkelen zijn er [-] ook nogal wat eisen waaraan de werkomgeving, de organisatie moet voldoen.’ En met name daar kan een opleidingskundige – Deen en Rondeel spreken overigens van ‘ontwerper’ – van toegevoegde waarde zijn, bijvoorbeeld door te laten zien hoe je van de dagelijkse werkomgeving een krachtige leeromgeving kunt maken. In de praktijk blijkt het echter nog lastig die meerwaarde duidelijk te maken, zowel aan medewerkers als aan het lijnmanagement. Leren kost tijd en die is er te vaak niet (of het wordt in ieder geval zo ervaren). Dat plaatst de opleidingskundige-nieuwe-stijl in een lastige positie, die Kloosterboer (Adviseren vanuit het geheel, uit 2015) als ‘plekdilemma’ omschrijft: je adviseert in het belang van het grotere geheel terwijl je daar tevens onderdeel van bent. Daardoor voel je je gedwongen tot een bepaald commitment dat je professionele vrijheid al op voorhand beperkt.

Met hun boek willen Deen en Rondeel een bijdrage leveren aan de zoektocht naar een geüpdatete professionele identiteit van die professionals die zich blijkens hun visitekaartje doorgaans nog steeds ‘opleidingskundige’ noemen maar wel de ontwikkeling naar adviseur en ontwerper willen maken. Het is echter de vraag of ze daarin helemaal geslaagd zijn, of zullen slagen. In het boek staat het bekende achtveldenmodel van Kessels centraal. Het model verbindt de instrumentele, systematische ontwerpbenadering met de relationele, wat het tot een prima leidraad maakt voor het ontwerpen van leertrajecten. Het biedt met name beginnende professionals houvast en drukt in het algemeen iedereen die zich actief met het ontwerpen van leertrajecten bezighoudt, nog eens met de neus op de allerbelangrijkste succesfactor: een goede opleiding – dat is er een die gericht bijdraagt aan organisatiedoelen – ontwikkel je samen met alle relevante betrokkenen. Maar of het voldoende input geeft om ‘ontregelende identiteitsvragen’ te beantwoorden als: ‘Waar ben ik eigenlijk van? Van de cursus en van de training, of van een duurzaam leerklimaat?’ En: ‘Aan wie ben ik loyaal? Aan de organisatie of aan mijn professie, aan de performance of aan de persoonlijke ontwikkeling?’ Dat waag ik te betwijfelen. De kwestie als zodanig wordt geadresseerd, dat wel, maar er zijn andere boeken die de zoekende professional met deze vragen verder helpen; zoals die van Ruijters en Kloosterboer bijvoorbeeld.

Blijft over een grondig vernieuwde editie van een boek dat zijn waarde al decennia lang bewijst. Een prettig leesbaar, overzichtelijk handboek over de ontwerp- en de advieskant van een vak dat tot doel heeft leren in organisaties op gang te brengen. Met aansprekende casuïstiek en een compleet arsenaal aan methodieken die de ‘ontwerper’ kunnen helpen bij de verschillende stappen van het achtveldenmodel. ‘Onze ambitie met het vernieuwen van Opleidingskunde was om vakgenoten verder te helpen en te inspireren bij het vormgeven van leerprocessen,’ schrijven Deen en Rondeel ergens voor in het boek. In dat opzicht zullen zij ongetwijfeld slagen.


Opleidingskunde - LEREN in het werk, rond het werk, voor het werk
9 januari 2018 | Nico Jong

Opleidingskunde is al meer dan 25 jaar een belangrijk handboek voor opleiders binnen organisaties. De oorspronkelijke publicatie van Kessels en Smit, verscheen in 1989 en werd in 2007 aangepast.

Joseph Kessels vraagt Erik Deen en Mariël Rondeel of zij er een moderne en toekomstbestendige versie van willen maken. Dit leidt tot een volledig herziene versie van Opleidingskunde. Een boek dat is bestemd voor iedereen die leertrajecten ontwerpt om mensen te ondersteunen bij leren en ontwikkelen in de context van hun werk. Dat leren moet aansluiten bij de nieuwsgierigheid en de gedrevenheid van de individuele medewerker en bijdragen aan de ontwikkeling van hun organisatie.

Nieuwe perspectieven op opleiden maken mensen zelf verantwoordelijk voor hun ontwikkeling als professional. De interventies om leren te stimuleren, zijn veel breder dan alleen opleiden. De auteurs geven daarom de voorkeur aan ‘ontwerper’ boven ‘opleidingskundige’. De ontwerper kan een vraagstuk analyseren, er passende leeroplossingen voor ontwerpen en de resultaten ervan evalueren. Hij is ook adviseur die samen met alle relevante betrokkenen leren en werken weet te verbinden en daardoor van de werkplek een aantrekkelijke leerplek weet te maken. Dat vraagt om een relationele benadering waarbij de ontwerper werkt aan het vergroten van de inzet, deelname en steun van direct betrokkenen bij een leertraject en er een gedeelde visie ontstaat op de aanpak ervan.

In het verleden volgde een medewerker meestal een opleiding om een tekort weg te werken. De huidige manier van kijken naar leren gaat over het versterken van de talenten van mensen, omdat aandacht voor de kracht en passie van mensen een positieve invloed heeft op hun welbevinden en op productiviteit en innovatie binnen organisaties. Een waarderende benadering speelt dus een belangrijke rol bij het ontwerpen van leertrajecten. Verder vinden leerinterventies tegenwoordig steeds vaker plaats op de werkplek, of ze zijn in ieder geval verbonden met het dagelijkse werk. Het geleerde kan dan direct worden toegepast en beklijft beter.

Ontwerpers hanteren drie verschillende benaderingen. Bij de instrumentele of systematische benadering hechten ze veel waarde aan de analyse van het vraagstuk en het formuleren van leerdoelen. Het leerproces is een lineair ontwerpproject. In de relationele ontwerpbenadering komt een leerontwerp tot stand in dialoog tussen alle betrokkenen. Hierbij is het smeden van samenwerkingsrelaties van belang om consensus te bereiken over doelen, inhoud, aanpak en vorm van het leertraject. Inzet, deelname en steun van alle betrokkenen wordt hierdoor vergroot. Deze benadering lijkt sterk op co-creatie. Tot slot is er nog de pragmatische ontwerpbenadering. De cyclus van ontwerp, ontwikkeling, evaluatie en bijstelling wordt verschillende malen herhaald (iteraties). De analysefase is kort en de ontwerper ontwikkelt al snel een prototype, zet dat in en evalueert het met de gebruikers. Het ontwerp wordt in de verschillende cycli steeds verder verbeterd en verfijnd.

De auteurs gebruiken een combinatie van een systematische en een relationele aanpak, het achtveldenmodel van Kessels, als kapstok voor hun boek. Dit model beantwoordt twee vragen in vier stappen: wat wil je bereiken en wanneer ben je tevreden? Het achtveldenmodel is ook te gebruiken bij een pragmatische ontwerpaanpak en de auteurs lichten het uitgebreid toe in twee hoofdstukken. Vervolgens gaan ze in op belangrijke keuzes bij het maken van een globaal leerontwerp. In het laatste hoofdstuk gaan ze in op de vraag hoe je leerinterventies ontwikkelt en reiken ze handvatten en hulpmiddelen aan.

Opleidingskunde is een prettig leesbaar handboek over leren in en voor het werk. Zowel de ontwerpkant als de advieskant komen ruim aan bod. Een heldere structuur zorgt voor een goede ontsluiting van de uitgebreide kennis en ervaring van de auteurs.

Nico Jong is senior adviseur bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.


Erik Deen, Mariël Rondeel, Joseph Kessels
Opleidingskunde

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden