Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
Cultuurverandering bij de overheid vraagt publiek leiderschap
5 februari 2015 | Bert Peene

Het openbaar bestuur is sterk in verandering. Verregaande decentralisatie van taken en bevoegdheden moet leiden tot een krachtiger en meer dienstverlenende overheid. Dat vraagt om een nieuw type leiderschap. Meer sturen vanuit vertrouwen en ruimte geven. ‘Publiek leiderschap’ noemen Henk Doeleman, Herman Fijn, Nico Helder en Jos Kok dat. Met hun boek Leiderschap in de publieke sector (‘Over richting geven en ruimte laten bij verandering’) willen zij aan die ontwikkeling een zinvolle bijdrage leveren. Daarbij is wetenschappelijkheid een belangrijk uitgangspunt.

De bestuurlijke sector mag dan vaak in zichzelf gekeerd en weinig vernieuwend heten te zijn, in werkelijkheid zoekt zij al jaren naar een antwoord op de vraag hoe de overheid zich kan aanpassen aan alle veranderingen die zich in de samenleving voordoen. In het eerste deel van hun boek gaan de auteurs uitvoerig in op deze omgevingsdynamiek. De belangrijkste veranderingen die zij onderkennen, worden veroorzaakt door mondialisering, veranderende arbeidsrelaties, veranderende opvattingen over individuele verantwoordelijkheid in een maatschappelijke context en vooral door de ontwikkeling van informatie- en communicatietechnologie. ‘De ICT ontwikkelt zich razendsnel in termen van snelheid, betrouwbaarheid, capaciteit en toegankelijkheid,’ schrijven ze. ‘In het komende decennium zal iedereen met iedereen verbonden worden: er is sprake van radicale transparantie en eindeloze verbondenheid.’

De dominante manier van denken en handelen van leidinggevenden binnen het publieke domein die met name gekenmerkt wordt door verantwoording en controle, is ongeschikt om een antwoord te geven op de uitdagingen die hiermee gepaard gaan. ‘De rol van het leiderschap in publieke organisaties zal sterker komen te liggen op sociopolitieke en netwerksturing in plaats van op besturing van beleidsprocessen, administratieve sturing en contractbesturing.’ Dat betekent onder meer dat leidinggevenden hun stijl van leidinggeven zullen moeten aanpassen aan meer virtuele verbanden, meer open verhoudingen, samenwerkings- en netwerkverbanden én sturing op afstand.

Effectief leiderschap in een context van voortdurende externe en interne veranderingen en taakstelling is niet eenvoudig. Dat verklaart in belangrijke mate de grote hoeveelheid publicaties over het onderwerp. Een zoektocht op het internet met ‘leiderschap’ als trefwoord leverde vorig jaar ruim 811.000 hits op. Zo bezien zou optimalisering van leiderschap in de publiek sector dus weinig problemen moeten opleveren: wie theoretische toerusting zoekt, vindt altijd wel iets bruikbaars. Toch is dat in de ogen van Doeleman et al. maar beperkt het geval. Van de vele benaderingen en inzichten zijn er namelijk maar weinig bewezen effectief. Anders gezegd: er gaapt een flinke kloof tussen wetenschap en de praktijk van leiderschapsontwikkeling. Die kloof willen de auteurs met hun boek dichten.

Concreet betekent dat dat allerlei bekende theorieën en modellen opnieuw langskomen, maar dan benaderd vanuit een wetenschappelijk perspectief. Evidence based dus. ’Leiderschap in de publieke sector’ gaat onder meer over transactioneel versus transformationeel leiderschap, situationeel leidinggeven en teamleiderschap en hoe je zelforganisatie, zelfregulatie, en zelfsturing ontwikkelt. In dat opzicht biedt het boek weinig nieuws. Nieuw is wel de aandacht voor e-leadership en authentiek leiderschap. Effectieve leiders opereren vanuit een krachtige persoonlijke visie en missie.

De kloof tussen wetenschap en praktijk doet zich ook gevoelen binnen de vele MD-programma’s die her en der aangeboden worden: ook die zijn volgens de auteurs onvoldoende gebaseerd op wetenschappelijke inzichten rond aanpak en effectieve interventiestrategieën. Bovendien zijn veel leiderschapsprogramma’s teveel ‘leergangen voor managers’, die tot doel hebben individuele, contextonafhankelijke competenties te ontwikkelen. Geen wonder, aldus Doeleman et al, dat zulke programma’s niet opleveren wat ervan wordt verwacht; effectief leiderschap bestaat namelijk alleen in context. Daarnaast benadrukken zij het belang van een integrale benadering: leiderschapsprogramma’s moeten niet alleen voldoen aan de wensen van de deelnemers maar ook aan die van de gewenste organisatieontwikkeling. Daarin zou bovendien een rol weggelegd moeten zijn voor de medewerkers. Onderzoek wijst namelijk uit dat programma’s die op de hele medewerkersgroep gericht zijn, meer effect sorteren dan programma’s uitsluitend gericht op leidinggevenden.

Leiderschap in de publieke sector is een waardevol boek voor iedereen die op zoek is naar evidence based succesfactoren voor de aanpak van leiderschapsontwikkeling. Over de meerwaarde voor met name leidinggevenden in de publieke sector ben ik minder zeker. De auteurs schrijven terecht dat de geschetste ontwikkelingen een complete cultuurverandering binnen het publieke domein vragen. Je zou dan denken dat dat een prima referentiekader biedt voor de onderwerpen die vervolgens worden aangesneden, maar dat is niet het geval. Organisatiecultuur komt er zelfs wat bekaaid van af. Het concurrerende waardenmodel van Cameron & Quinn bijvoorbeeld wordt slechts kort beschreven, terwijl dat nu juist zo’n mooi denkraam biedt voor iedereen die leiding moet geven aan de ontwikkelingen die Doeleman et al. beschrijven. Dat zou dus misschien een leestip kunnen zijn: raadpleeg ook het boek Onderzoeken en veranderen van organisatiecultuur van Kim Cameron en Robert Quinn en maak pas daarna een begin met leiderschapsontwikkeling.


Henk Doeleman, Herman Fijn, Nico Helder
Leiderschap in de publieke sector

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden