Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20
Dienen en Deugen
17 december 2015 | Jacques Gerards

Wat zijn de doorslaggevende principes en kwaliteiten van goede topbestuurders? Hoe gaat hij/zij om met wicked problems? ‘Bekwaamheid stoelt op deugdzaamheid en op het dienstbaar willen zijn voor een doel dat buiten jezelf is gelegen’, concludeert Jacques Gerards van Bureau Bestuurlijk Advies na het lezen van het boek Dienen en Deugen van René Weijers.

Een intrigerende combinatie van titel en subtitel. Karaktertrekken van topbestuurders waaraan zij kracht ontlenen maar daardoor tevens kwetsbaar zijn. Getriggerd door deze titel duikt de lezer een wetenschappelijk boek in. Een boek dat deugdelijk onderzoek, gedegen kennis van vakliteratuur en een toegankelijke schrijfstijl biedt. Met deze middelen komt de schrijver tot een boeiend boek met buitengewoon interessante bevindingen en dito relevante conclusies.

Successen

De interesse van de auteur voor het onderwerp ‘topbestuurders’ komt niet voort uit de gekende voorbeelden van dwalend of falend bestuur of onthutsende schandalen. René Weijers interesseerde zich voor de talrijke topbestuurders die weten te slagen, successen weten te boeken, maar die - omdat goed nieuws geen nieuws is - niet in het nieuws komen. Het functioneren van deze grote meerderheid van bestuurders bracht hem op de kernvraag van zijn onderzoek: wat zijn de doorslaggevende principes en kwaliteiten van goede topbestuurders? Uitgewerkt in een vijftal vragen: wat is volgens topbestuurders de inhoud van het besturen, wat zijn kenmerken voor die inhoud, wat zijn hun kopzorgen, hoe gaan ze om met complexiteit, onzekerheid, irrationaliteit en emoties en welk handelingsrepertoire en kernkwaliteiten zijn daarvoor vereist?

Diepte-interviews

Het boek is een drieslag van relevante theorieën en inzichten, een tiental diepte-interviews met topbestuurders en eigen ervaring opgedaan in een jarenlange adviespraktijk. De auteur kijkt naar de werkelijkheid van topbestuurders vanuit inzichten die hij in drie perspectief-duo’s presenteert. Vervolgens kijkt hij naar theorieën over leiderschap in bestuursposities. Dan volgen de uitgewerkte diepte-interviews met topbestuurders uit diverse organisaties. Ondernemers, de rechtbank, het leger, de GGZ-zorg, de jeugdzorg, de bank, het familiebedrijf, de gemeente en de rijksoverheid. De schrijver komt tot impressies en inzichten omtrent het omgaan met complexiteit, paradoxen en dilemma’s en wicked problems (taaie en venijnige problemen). Conclusie: bekwaamheid stoelt op deugdzaamheid en op het dienstbaar willen zijn voor een doel dat buiten jezelf is gelegen.

Spiegel

Een spiegel voor bestuurders en een leerboek voor commissarissen die topbestuurders aantrekken en benoemen, hun functioneren duiden en hun besturing beoordelen. Met de kennis die uit dit boek opgedaan wordt, valt een goed gesprek tussen commissaris en bestuurder te voeren vanuit een beter inzicht in wat het ‘zijn’ van topbestuurder of eindverantwoordelijke bestuurder werkelijk betekent en vergt.

Deze recensie van Jacques J.K. Gerards verscheen eerder in Governance Update.

Jacques J.K. Gerards is directeur van Bureau Bestuurlijk Advies

3 september 2015 | Gerrit de Jong

Goed nieuws is geen nieuws. Zo lijkt het wel als je een aandachtige krantenlezer bent of het nieuws volgt op de sociale media die via het internet tot ons komen. Nog steeds wordt de stroom berichten over managers van ondernemingen die zich schaamteloos verrijken niet ingedamd.

We hebben ING en ABN AMRO nog niet gehad of KPN, Schiphol en KLM volgen. Het Financieele Dagblad berichtte onlangs dat de bazen van bedrijven die op de Amsterdamse beurs zijn genoteerd vorig jaar gemiddeld 3,7 miljoen euro opstreken en dat was 12% meer dan het jaar daarvoor. De gemiddelde werknemer verdient 35.000 euro per jaar en zag vorig jaar zijn inkomen stijgen met 1,5%. Met droge ogen steken dat soort lieden, die zich CEO (chief executive officer) noemen, meer dan honderd keer het salaris van een gemiddelde werknemer in hun zak.

Laatst vroeg ik een verpleegkundige, een hoog opgeleide meid die in de operatiekamer werkt, of ze het niet onechtvaardig vindt dat de specialist die met haar schouder aan schouder werkt tien keer meer verdient dan zij. Dat vond ze inderdaad, maar ze durfde er niet over te beginnen, wat dan zou ze geïsoleerd komen te staan en uiteindelijk richting uitgang worden geduwd. Het beeld van een alfamannetje op de top van de apenrots doemt op.
Als je niet erg oppast word je hier een beetje droevig om niet te zeggen cynisch van. Tijd voor wat tegengif dus.

Onlangs nam ik afscheid als voorzitter van een vereniging en als cadeau kreeg ik een boek met de titel Dienen en Deugen. Kennelijk dacht men dat het wel goed voor me zou zijn om me eens met dat onderwerp in te laten. Het boek is een proefschrift van René Weijers en het gaat over leiderschap. Over het algemeen ben ik niet een liefhebber van literatuur over management, zeker niet als het door goeroes wordt geschreven. Het leest makkelijk weg, maar stelt wetenschappelijk niet altijd veel voor. René Weijers schrijft wel een wetenschappelijk werk en het aardige is dat het hoofdbestanddeel van zijn onderzoek bestaat uit diepte-interviews met een tiental topbestuurders van ondernemingen en overheidsinstellingen. Het is een selecte groep, want ze zijn allemaal geslaagd als topbestuurder. Daar zijn ze op uit gekozen. René Weijers wilde weten wat de eigenschappen zijn van een topbestuurder.

Een paar dingen vallen op. In de eerste plaats valt op dat geen van allen het karakter heeft van het alfamannetje op de apenrots. Het zijn wel mensen die op een gegeven moment een knoop durven door te hakken, maar het leiden van een bedrijf of instelling zien ze toch meer als een gezamenlijk gebeuren. Het belangrijkste is misschien wel dat je uit mensen haalt wat er in zit. Dat je ze in hun waarde laat. Dat je ze betrekt bij veranderingen en innovaties. Dat je ze onderling laat praten en communiceren. Op die manier lossen vele mogelijke problemen zich vanzelf op voordat het echte problemen kunnen worden. Deze topbestuurders durven zich kwetsbaar op te stellen en twijfel te tonen. Ze nemen soms de tijd om geen overhaaste beslissing te nemen. Ook hebben ze allemaal een verhaal en dat is heel wat anders dan een managementrapportage. Met dat laatste krijg je mensen niet enthousiast, met een verhaal kun je ze meenemen. Ook wordt het primaire proces altijd centraal gesteld en op een voetstuk geplaatst. Het is tegenwoordig modern managers aan te stellen in ondernemingen waar dingen worden gemaakt waar de manager absoluut nul verstand van heeft. Van deze soort duizendpoten zijn er weinig voorbeelden aangetroffen en de geïnterviewde bestuurders vinden dat ook eigenlijk maar niks. Waar wil je het over hebben met de mensen op de werkvloer?

Verder wordt winst en resultaat niet als doel op zich gesteld, maar meer als een middel om de continuïteit van de onderneming veilig te stellen. Bij allen is het besef aanwezig dat het resultaat ook een maatschappelijke betekenis moet hebben. Met andere woorden de bestuurders opereren welbewust niet in een vacuüm, maar staan midden in de maatschappelijke werkelijkheid. Voor die publieke waarde van de onderneming heb je meer aan een goede relatie met werknemers, klanten, de overheid en al die anderen die we ‘stakeholders’ noemen, dan aan een monomane drift om de waarde voor de eigenaren, de ‘shareholders’, op korte termijn te willen maximeren. Voor hun eigen functioneren is het van groot belang dat ze werken met een (directie)team waarmee ze kunnen lezen en schrijven. Als dat niet langer mogelijk is dan worden dwarsliggers of incompetenten uit het team verwijderd. Alle bestuurders vinden die beslissing het moeilijkst. Maar misschien wel het belangrijkst is dat de bestuurders authentiek zijn, geen opgeblazen kikkers, integer, geloofwaardig, moreel gezag hebben en vertrouwen wekken. Kortom, ze moeten deugen en dienen.

Ze zijn er dus nog wel, de leiders die voldoende autonomie hebben over hun eigen waardigheid en zich niet laten meeslepen in wat ze bij de buurman zien. Wim Dubbink is hoogleraar bedrijfsethiek en stelt de mens wel weet wat goed en kwaad is, maar dat de motivatie om moreel te handelen hem soms zwaar valt. Dat komt vooral door druk uit de omgeving zoals concurrentie en machtsuitoefening. Om autonoom te kunnen zijn over je eigen waardigheid moeten de deugden zelfrespect en bescheidenheid worden gekoesterd en onderhouden. Dat lukt in elk geval niet in een onderneming die onrechtvaardig is georganiseerd bijvoorbeeld doordat de afstand tussen het hoogste en laagste salaris veel te groot is. Dubbink noemt dergelijke ondernemingen niet integer. Datzelfde geldt als de ondernemer veel meer kiest voor externe waarden zoals status, macht, inkomen, hoogte van de winst in plaats van interne waarden, zoals de schoonheid van het geleverde product en de klantenservice. Als je je vooral vergelijkt met de buurman dan loopt dat gauw uit de hand. Je integriteit en je autonomie ben je kwijt als je alleen maar omdat je concurrent zoveel inkomen opstrijkt zelf ook een inkomen wilt hebben dat geen enkele relatie met de geleverde prestatie. Dit soort kwaadaardigheid en gebrek aan integriteit wordt door betrokkenen altijd ontkend. Ze leven in een wereld die buiten de realiteit staat.

Het is echter goed te weten dat er wel degelijk topbestuurders zijn die niet voor de Mammon knielen en hun autonomie en waardigheid weten te bewaren.

Deze recensie verscheen eerder in Friesch Dagblad.

5 december 2011 | Teun van Aken

René Weijers is gedreven door zijn fascinatie voor de kernopgaven op de agenda van topbestuurders en topmanagers. Zij staan in het brandpunt van de belangstelling, maar de aandacht is vaak negatief, want al te gretig wordt de nadruk gelegd op hun falen en dwalen. De auteur, met een rijke ervaring in het adviseren van topmanagers en topbestuurders, bekijkt hen vanuit een andere invalshoek: wanneer gaat het goed en hoe doen zij dat? Met interessante uitkomsten. 'Dienen en Deugen' is het resultaat van een promotieonderzoek naar deugdzaamheid en bekwaamheid van topbestuurders.

De onderzoeksvraag en methodologie
Wat zijn de leidende principes en kwaliteiten van 'goede' topbestuurders? En het gaat dan om bestuurders en managers in eindverantwoordelijke posities. Dit is de centrale vraag in dit kwalitatieve onderzoek. 'Dienen en Deugen' is als proefschrift verdedigd op 11 november 2011 voor de Tilburg University. De methode die René Weijers hanteert is die van systematisch literatuuronderzoek, uitvoeren van gestructureerde interviews en onderzoekssynthese.

Zo komt Weijers tot de synthese dat goede topbestuurders deugdzame en bekwame leiders zijn, die twee kwaliteiten in hun repertoire van handelen laten zien. De eerste noemt Weijers being: integriteit, geloofwaardigheid, authenticiteit, moreel gezag en verantwoordelijkheidsbesef. En daarnaast gaat het om doing, waar het gaat om drie samenhangende kerntaken: sturen, organiseren en inspireren.

Bij de literatuurstudie hanteert Weijers vier perspectieven.
- sociaal constructivistische en filosofische perspectief. De werkelijkheid wordt opgevat als het resultaat van processen van betekenisgeving en topmanagers opereren zowel in een sociale werkelijkheid als in een min of meer feitelijke.
- externe en interne perspectief. De context van de dynamische informatiemaatschappij en die van de bestuurlijk complexe organisaties.
- cognitieve en normatieve perspectief. In dit perspectief gaat het om problemen in oplopende graad van lastigheid en vraagstukken van normen en waarden met deugden als kompas.
- en het perspectief van leiderschap in bestuursposities. Hier concludeert Weijers dat het verbindende idee in alle leiderschapstheorieën deugdzaamheid en bekwaamheid is.

Ter verdieping van de inzichten uit de literatuur voert de auteur diepte-interviews met tien topbestuurders en topmanagers uit middelgrote en grote profit- en non-profit-organisaties. Weijers sprak onder meer met Herco Uniken Venema (president Rechtbank Utrecht), Dick Berlijn (oud-commandant der Strijdkrachten), Bert Heemskerk (oud-bestuursvoorzitter Rabobank) en Goof Hamers (president directeur IHC Merwede).

Onderzoeksynthese
In een buitengewoon boeiend hoofdstuk 'Impressies en inzichten' gaat de auteur op zoek naar de grootste gemene delers uit de gevoerde interviews, wat moet leiden tot antwoord op de centrale onderzoeksvraag, ik noem de gemene delers;
'De inhoud van de bestuursopgave' wordt bepaald door de externe en interne context van de onderneming, maar ook door de opvattingen, stijl en karakter van de bestuurder. 'De bestuurlijke opgave vergt zowel cognitieve bekwaamheden als een morele opstelling in houding en gedrag', aldus Weijers.
'De aard van de bestuursagenda' wordt voornamelijk bepaald door het soort problemen waarvoor bestuurders worden gesteld, in een oplopende graad van lastigheid gerangschikt. Niets is zeker of voorspelbaar en dat vergt een nuchter analytisch vermogen.
'De 'kopzorgen' van topbestuurders' ervaren zij zelf eerder als uitdagingen dan als problemen. Zij verheffen die uitdaging tot 'een persoonlijk verhaal' waarmee zij in samenspraak met anderen in hun omgeving zoeken naar 'het verbindende verhaal'.
'De wijze waarop topbestuurders complexiteit en onzekerheid hanteren' wordt gekenmerkt door het steevast zoeken naar dialectiek, dialoog, mobiliseren van denkkracht en collectief inzicht.
'Het handelingsrepertoire' van topbestuur en leiderschap hangt nauw samen. De topbestuurder is een leider die wijs en inspirerend is en zichzelf niet te ver boven anderen stelt.

Kritiek
Ik heb, behalve wat details, een drietal hoofdpunten van kritiek. Twee daarvan hebben betrekking op de methodologie. Weijers heeft de ambitie gehad, zoals hij zelf schrijft, om waarde(n)volle inzichten en plausibele redeneringen in beeld te brengen over goed bestuur. Hij gaat uit van de zelfperceptie van de geïnterviewden en zegt zich dat te realiseren. Maar alleen dat garandeert niet dat hij mooiere beelden krijgt voorgeschoteld dan wanneer hij daarnaast ook anderen had ondervraagd over de door hem geïnterviewde topbestuurders.

De auteur had daarnaast ook topbestuurders kunnen interviewen die niet als 'goed' staan aangeschreven. Weijers schrijft over zijn gesprekspartners: 'Zonder uitzondering spreken ze met bevlogenheid en betrokkenheid over hun werk... Ze onderstrepen het cruciale belang van verbinding met anderen...' (pag. 182). Dit zou zomaar gezegd kunnen zijn door Louis van Gaal, Cees van der Hoeven, Rijkman Groenink en Dirk Scheringa, om er maar een paar te noemen.

Een ander punt van kritiek is het naar mijn smaak conceptueel niet goed uit elkaar houden van de begrippen 'gecompliceerd' en 'complex'. Iets wat gecompliceerd is, kan worden vereenvoudigd, kan in onderdelen uiteen worden gehaald, zoals een automotor, en weer in elkaar worden gezet. Bij complex kan het eerste wel, maar het tweede niet, zoals bij het menselijk lichaam. Zou het kunnen dat goede topbestuurders dit heel goed weten en de andere niet, zoals Cor Boonstra, die Philips zag als 'een bord spaghetti' en er 'een bord asperges' wilde maken?

Balans
Weijers schreef een buitengewoon relevant boek. We lijken niet zo heel veel te leren van de vele slechte voorbeelden, wellicht des te meer van de goede. Hij stelt voor om in plaats van 'naming and shaming' over te gaan tot 'naming and faming'. Goede topbestuurders gaan primair voor waarde en welvaart en winst is geen doel, maar indicator voor succes.

Weijers schrijft boeiend en in bloemrijke taal, een verademing voor wie veel proefschriften leest. Aanbevolen dus!

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden