Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Achtergrond

Imponeren en verbergen met façadetaal - Eric Tiggeler

‘Managementjargon is het taalkundig uniform van de werkvloer’

Annegreet van Bergen | 7 juni 2004 | 9-13 minuten leestijd

"Zij heeft natuurlijk een enorm netwerk." Verbaasd kijk ik naar mijn moeder van 82. Doorgaans is zij wars van modewoorden en nou zegt ze zonder blikken of blozen dat Cri Stellweg een enorm netwerk heeft, terwijl ze gewoon bedoelt dat deze schrijfster een heleboel mensen kent. Een week eerder hoorde ik mezelf tegen een opdrachtgever zeggen dat ik een bepaald artikel niet kon schrijven zolang ik geen input van Frank had gekregen. Input? Sinds wanneer heb ik het niet meer over 'het benodigde materiaal' maar over 'input'? Ben ik ook besmet door het managementjargon? Toevallig staat netwerk noch input in 'De Zwarte Woordenlijst - Lexicon van modern taalmisbruik', samengesteld en van geestig commentaar voorzien door de taalkundigen Eric Tiggeler en Mieke Vuijk. Maar ze hadden er niet in misstaan, holle woorden uit het vocabulaire van de moderne zakenman of -vrouw, die geleidelijk in het gewone taalgebruik binnendringen. Tiggeler, hoofd cursusontwikkeling en tekstschrijven van het Taalcentrum-VU, vertelt over de ontstaansgeschiedenis van 'De Zwarte Woordenlijst'. "Mieke had een tekstbureau en ik werkte bij het Taalcentrum van de VU. In ons werk analyseren wij teksten, soms redigeren wij ze ook. Dus we zaten tot aan onze oren in de beleidsnota's en we lazen vaak teksten van cursisten. Op die manier kom je heel wat managementjargon tegen. Dat was prachtig veldonderzoek." "Tegelijk zaten wij in de redactie van een elektronisch tijdschrift, het 'Vakblad Taal'." Even stokt zijn betoog. "Het is verleidelijk om te praten over een e-magazine, maar dat zal ik niet doen." Tijdens het gesprek moet Tiggeler vaker op zijn woorden passen, want voordat hij het weet gebruikt hij ook het door hem verfoeide managementjargon. "In 'Vakblad Taal' staan praktische adviezen over taal. Wij besloten in dat elektronische tijdschrift een rubriek te beginnen, de Holle Honderd, uitgesmeerd over tien afleveringen. Terwijl wij normaal weinig of niets horen op door ons geschreven stukken in 'Vakblad Taal', maakte deze hitlijst van de meest ergerlijke (in de zin van holle, clichématige, misbruikte) woorden uit het Nederlands een heleboel reacties los. Het blad wordt bijvoorbeeld veel gelezen door secretaresses, die tegenwoordig overigens vaak worden aangeduid als management assistenten. Zij herkenden het jargon direct en stuurden ons afschuwelijke voorbeelden van door hun baas gebruikte termen." Aangemoedigd door de reacties op de Holle Honderd, besloten Tiggeler en Vuijk een boekje te maken van wat zij opblaastaal, gebakkenluchtjargon of façadetaal noemen. 'De Zwarte Woordenlijst' slaat zo aan, dat Sdu Uitgevers al een tweede druk heeft laten aanmaken. Hun voorbeelden haalden de auteurs niet alleen uit wat ze toevallig voor hun werk onder ogen kregen, maar zij zochten ze ook actief via internet op. Het is een indrukwekkende lijst geworden, die vaak op hilarische wijze is beschreven en geduid. De reacties blijven binnenkomen. Tiggeler sluit niet uit dat hij en Vuijk ooit nog een tweede 'Zwarte Woordenlijst' gaan samenstellen. De eerste 'Zwarte Woordenlijst' is niet alleen te gebruiken voor wie zijn ergernis over de dikdoenerij van managers en consultants goed onder woorden gebracht wil zien, maar ook als een introductie in het jargon. Tiggeler: "Je kunt hem inderdaad ook anders gebruiken dan wij hem hebben bedoeld. Als een 'Bluff your way into management speak'. Ik kreeg een reactie van iemand die ons bedankte omdat hij nu wist hoe hij een corporate brochure moest schrijven." Om de gedachten te bepalen, een voorbeeld uit 'De Zwarte Woordenlijst'. Zo staat onder het lemma 'insteek':"Zie ook 'insteken'. Een 'insteek' is iets tussen invalshoek en benadering in. Voor velen een beetje een vies woord. 'Moet de patiënt niet de insteek zijn van het landelijke zorgbeleid?' 'Mijn insteek in deze vergadering is vooral een stukje persoonlijke frustratie bloot te leggen.' 'De plaatselijke partijen nemen vanuit hun eigen lokale insteek deel aan het politieke machtsspel.'" Daarna schrijven Tiggeler en Vuijk: "Insteken kan een heel concrete actie zijn, waarbij stuurbekrachtiging goed van pas komt. Dan het betekent het '(achteruit) parkeren'. En je kunt ook insteken op een opleiding: 'halverwege instromen'. Tot zover is met insteken weinig aan de hand. Maar let je op: je kunt iets bij iemand insteken: 'zorgen dat iemand jouw insteek overneemt'. En je kunt, zeker in vergaderingen, met een serieus gezicht ergens op insteken: 'Mag ik even op dit punt insteken vanuit het perspectief van P&O?' De lezer zal moeten erkennen dat 'insteken vanuit een bepaald perspectief' op het eerste gezicht meer doordacht, geleerd en/of belangwekkend klinkt dan 'benaderen vanuit een bepaald gezichtspunt'. Op het tweede gezicht moet je erkennen dat 'insteek' slechts een ander woord is voor 'benadering'. Het jargon heeft weinig om het lijf. Het is dan ook niet bedoeld om te zaken duidelijker te maken. Integendeel. Het gaat om imponeren. Om omsluieren en vaak ook om vooral het achterste van je tong niet te laten zien. Tiggeler: "Opblaaswoorden hebben gemeen dat ze breed inzetbaar zijn, vaag en veelomvattend. Het zijn rookgordijnen: ze verhullen waar het werkelijk omgaat en suggereren tegelijkertijd deskundigheid." Onzekerheid (of liever: het maskeren daarvan) is volgens hem een van de belangrijkste redenen om managementjargon te gebruiken. "Mensen bouwen torens van woorden om zich heen om indruk te maken. Opblaastaal is het taalkundige uniform van de werkvloer. Inmiddels is ons boek een beetje door het faillissement van Megapool al weer achterhaald: wij schreven over de televisieverkopers bij Megapool die zich in lichtblauwe overhemden en slecht zittende donkerblauwe herenpantalons steken. Megapool bestaat niet meer, maar het voorbeeld blijft actueel. Want verkopers in alle elektronicawinkels doen dat. Ze doen het om precies dezelfde reden als waarom junior trainees op het hoofdkantoor van een bank ook lichtblauwe hemden en net iets beter zittende broeken dragen: het is het uniform van de zakenwereld. Door een uniform aan te trekken, willen ze laten zien dat erbij horen. Als ze er nog een colbertje en een das bij aan doen, is het helemaal af: een feilbaar mens vermomd als resultaatgerichte professional." "Zo is het ook met de taal: je past je aan. Men praat zo omdat iedereen zo praat. Velen zijn er zo aan gewend dat ze niet eens meer horen hoe raar sommige woorden zijn. Alleen nieuwelingen begrijpen aanvankelijk niets van het jargon, maar ook zij passen zich aan omdat ze niet uit de pas willen lopen. De opblaastaal wordt een code waarmee je je handhaaft en waaraan je zelfvertrouwen ontleent. Dus zeggen mensen in het bedrijfsleven niet: 'We moeten maar eens kijken wat we nu kunnen doen.' Maar: 'Ik stel voor dat we onderzoeken welke approach in deze situatie het meest effectief is.'" Niet alleen om onzekerheid te maskeren, wordt hol managementjargon gebruikt. Soms is het gebruik ook doelbewust. Tiggeler: "Vooral in beleidsteksten lijkt het belangrijkste doel om de boodschap zo vaag en multi-interpretabel mogelijk te houden. Ook de meest ervaren eindredacteuren kunnen soms de omzichtig geformuleerde compromissen niet omzetten in keiharde beweringen. Want vaak is die vaagheid strategisch: je kunt er alle kanten mee op." Daarnaast zijn er allerlei termen die direct of letterlijk vertaald uit het Engels worden overgenomen. Premier Balkenende slaat zijn gesprekspartners herhaaldelijk om de oren met 'wisselen'. Daarmee bedoelt hij bespreken of mededelen. Anderen zeggen dat ze iets met je willen delen, als ze je iets willen vertellen. Tot voor kort was de term professional voorbehouden aan hoogopgeleide medewerkers met een grote vakinhoudelijke kennis die zelfstandig een vak uitoefenen. Inmiddels is er volgens Tiggeler inflatie opgetreden en is professional een aandikwoord voor medewerker. "Zoals de chef al jaren geleden heeft plaatsgemaakt voor 'manager', doelen 'targets' zijn geworden en de verkoopmedewerker zich mag tooien met imposante titels als 'accountmanager' of 'sales executive'." 'De Zwarte Woordenlijst' is niet onomstreden. Hij geeft ook stof tot discussie. Zo is bijvoorbeeld het woord proactief opgenomen. Die term wordt als volgt door Tiggeler en Vuijk geduid: "Eigenschap van organisaties: nog kwieker en sneller dan slagvaardig, want slagvaardigheid verzandt al gauw in reactief gedoe." In de volgende zin is het begrip inderdaad tamelijk bespottelijk gebruikt: "Met behulp van een proactieve aanpak kan elke afdeling een bijdrage leveren aan het rendement van de organisatie." Toch is het de context die het begrip hol maakt. Iemand die bijtijds de bakens verzet en vooruitloopt op veranderingen kun je proactief noemen, zonder dat je je bezondigt aan fraseologie. Zoals gezegd, moet ook Tiggeler tijdens het gesprek op zijn woorden letten. Zelfs op een zeer taalgevoelig iemand blijken sommige woorden een bijna niet te weerstane verleidingskracht uit te oefenen. Proactief is daar een voorbeeld van. Ook over het gebruik van efficiënt en effectief kun je twisten. In elk geval kun je dit soort woorden met goed fatsoen gebruiken. Maar een term als 'levelen'? Volgens Tiggeler gebruikt een taalgevoelige Nederlander die 'never, nooit niet'. Of zoals de auteurs schrijven bij het lemma 'levelen (met iemand-)': "Het met iemand kunnen vinden. De jarennegentiguitdrukking met iemand door één deur kunnen was al niet best, maar dit is beslist geen vooruitgang. 'Kees is een kei van een vent. Met hem kan ik levelen.'" Het opmerkelijke is dat Tiggeler en Vuijk geen reacties ontvingen van mensen die zeggen dat 'De Zwarte Woordenlijst' hen een spiegel voorhield waardoor ze zich realiseerden welke holle opblaaswoorden zij zelf gebruikten. Altijd herkenden ze het vermaledijde taalgebruik van een ander. Toch verspreidt het managementjargon zich razendsnel. Mensen praten elkaar vaak na. Ze zijn gemakzuchtig. Of ze horen woorden en uitdrukkingen zo vaak dat ze op het laatst niet meer horen hoe raar ze zijn. Zoals mijn moeder met haar netwerk of ikzelf met mijn input voor een artikel. Hoe erg is het dat onze taal wordt vervuild door lelijk jargon? Ofschoon Tiggeler en Vuijk zich behoorlijk ergeren, vatten ze hun taak als 'taalpolitie' niet al te serieus op. Ze ergeren zich bijvoorbeeld aan het woord 'aspect'. Gekscherend adviseren ze niet te zeggen: "Ik vind dat het beleid anders moet", maar "Ik meen dat aspecten van het beleid herziening behoeven". Volgens hen betekent dat precies hetzelfde, maar is de tweede variant langer, voorzichtiger en deftiger. Elders in het boek stellen ze voor om in een beleidsnota door middel van het tekstverwerkingsprogramma het woord 'aspecten' te vervangen door 'asperges'. Het staat veel frisser en volgens hen kun je het vrijwel ongestraft doen. Ze baseren zich hierbij op de ervaringen van een voor een adviesorgaan in de zorgsector werkzame notulist. Hij werd stapeldol van de notulen die hij jarenlang van middaglange vergaderingen maakte en besloot de verslagen te verluchtigen met schuttingtaal. Eerst verstopte hij een term als 'teringlijer' in zijn verslag. Niettemin werden bij de volgende gelegenheid onder agendapunt 2 'de notulen van de vorige vergadering' zonder commentaar goedgekeurd. Ook toen hij woorden als 'klootzak' en 'lulkoek' in het verslag liet vallen, werden de notulen goedgekeurd. Dit brengt Tiggeler en Vuijk tot de volgende slotsom: "Hoe schadelijk is het dikdoenerige, betekenisloze taalgebruik van al die communicatieve bellenblazers die we hebben geciteerd? Eigenlijk valt dat wel mee. We zijn de rotsvaste overtuiging toegedaan dat de hun teksten slecht worden gelezen. Misschien zelfs wel niet. Maar in elk geval wordt er nauwelijks waarde aan gehecht. Hun praatjes zijn onderdeel van een rituele communicatiedans; als de vorm maar volgens de norm is, doet de inhoud er ook weinig toe. In zekere zin een ontmoedigende gedachte, maar tegelijk ook een bijzonder geruststellende." Voor zover Tiggeler en Vuijk zich als taalpolitie opstellen, hebben ze een zeer Nederlandse taakopvatting. Ze doen een oogje dicht. Ze gedogen.

Over Annegreet van Bergen

Annegreet van Bergen (1954) is econoom en werkt sinds 1982 als journalist. Ze schreef voor de Volkskrant en Elsevier. Vanaf 1999 werkt zij freelance.

Deel dit artikel

Wat vond u van dit artikel?

0
0

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden