Goede mensen vinden is allang geen vanzelfsprekendheid meer. Onderbezetting is het gevolg, en dat leidt tot hogere werkdruk. Om die beheersbaar te houden, wenden uw ervaren medewerkers zich – op uw verzoek of buiten uw zicht – steeds vaker tot AI. Ze schrijven teksten, analyseren documenten, vatten rapporten samen en lossen problemen op. Dat werkt. De productiviteit stijgt en het lijkt alsof de organisatie de schaarste goed opvangt.
Maar er gebeurt nog iets. De kennis en ervaring van uw medewerkers vloeien, vraag na vraag, naar AI-systemen van bedrijven waarmee u nauwelijks een relatie heeft. Die systemen worden slimmer en nemen steeds meer taken over. En omdat het werk ‘gewoon’ doorgaat, lijkt er weinig reden om nieuwe mensen aan te nemen of starters rustig het vak te laten leren.
De discussie over AI gaat vaak over wat technologie kan. De belangrijkere vraag is – denk ik – wat organisaties zélf moeten blijven ontwikkelen. Hoe zorgen we ervoor dat vakmanschap, nieuwsgierigheid, oordeelsvermogen en menselijk contact geen ondergeschoven kindje worden, juist nu technologie een steeds grotere rol krijgt? Vanuit die gedachten is dit nummer opgebouwd.
Deel 1 onderzoekt hoe professionals en organisaties AI verantwoord en effectief kunnen inzetten en welke nieuwe vaardigheden daarvoor nodig zijn.
Deel 2 gaat over de vraag hoe organisaties aantrekkelijk blijven in een krappe arbeidsmarkt: hoe vind, ontwikkel en behoud je mensen?
In deel 3 gaat het om de essentie: hoe zorgen we ervoor dat organisaties ook in tijden van AI en onderbezetting menselijk blijven?
Zoals Lidewey van der Sluis in het openingsverhaal zegt: ‘De mens is zoveel meer dan een vat met kennis en vaardigheden.’
Het hele nummer is hier te lezen.