Ik heb De renaissance van de filosofie niet geschreven omdat de wereld dringend behoefte had aan nóg een boek over artificiële intelligentie, want daar hebben we er inmiddels genoeg van om, zoals ik ergens in het boek schrijf, een Chinese Muur mee te bouwen: boeken over prompts, agents, productiviteit, automatisering, banen die verdwijnen, banen die ontstaan, strategieën om AI te implementeren en handleidingen die beloven dat je na een paar hoofdstukken eindelijk klaar bent voor de toekomst.
Daar is op zichzelf niets mis mee, maar hoe langer ik met AI bezig was, hoe sterker ik het gevoel kreeg dat we met zijn allen ontzettend druk naar de technologie stonden te kijken en daardoor nauwelijks nog opmerkten wat die technologie met óns aan het doen was, terwijl precies daar voor mij het interessante verhaal begint.
Wat blijft er typisch menselijk?
Niet bij de vraag hoeveel sneller een machine kan schrijven, analyseren, programmeren of samenvatten dan wij, maar bij de veel ongemakkelijkere vraag wat het betekent wanneer machines dingen beginnen te doen die wij eeuwenlang zonder veel aarzeling als typisch menselijk hebben beschouwd.
We hebben intelligentie, creativiteit, kennis, taal, redeneren en nieuwsgierigheid lang behandeld alsof ze veilig opgeborgen lagen in een kast met daarop in grote letters MENSELIJK, en nu staat er plotseling iets naast ons dat teksten schrijft, beelden maakt, verbanden legt, hypotheses formuleert en soms in enkele seconden iets produceert waarvoor een mens vroeger een halve dag nodig had.
Je kunt daar natuurlijk vooral enthousiast van worden en zeggen dat de productiviteit omhooggaat, maar je kunt ook even blijven staan bij wat er onder dat optimistische oppervlak gebeurt. Want wat bedoelen we eigenlijk met intelligentie wanneer een machine intelligent gedrag vertoont? Wat is creativiteit wanneer een algoritme iets maakt wat wij origineel, mooi of zelfs ontroerend vinden? Wat is kennis nog waard wanneer vrijwel alle beschikbare kennis in enkele seconden kan worden opgeroepen en gecombineerd? En wat gebeurt er met nieuwsgierigheid in een wereld waarin antwoorden overvloedig worden en het dus niet langer het antwoord is dat schaars is, maar het vermogen om de juiste vraag te stellen?
AI maakt filosofische vragen opnieuw urgent
Voor mij zijn dat geen technologische vragen meer, maar filosofische vragen, omdat ze rechtstreeks raken aan hoe wij onszelf definiëren en aan wat wij onder menselijkheid verstaan.
Daarom begint het boek ook niet met instructies over hoe je AI moet gebruiken. Ik richt eerst een reeks brieven aan de mens, waarin ik zes fundamentele vragen onderzoek die door de komst van AI plotseling opnieuw urgent zijn geworden: wat betekent het om mens te zijn, wat is intelligentie werkelijk, wat betekent compassie, wat verstaan we onder creativiteit, waar komt nieuwsgierigheid vandaan en hoe willen wij samenwerken met iets dat niet menselijk is, maar wel steeds meer menselijke vermogens lijkt te benaderen?
Eerst bepalen waar we naartoe willen
Dat eerste deel is bewust beschouwend, niet omdat filosofie een luxe is voor mensen die te veel tijd hebben, maar juist omdat we, voordat we AI overal in organisaties, scholen, overheden en gezinnen binnenrollen, misschien eerst eens moeten bepalen waar we naartoe willen en wat we onderweg vooral niet willen verliezen.
Technologie is immers bijzonder goed in het beantwoorden van de vraag hoe iets kan, maar veel minder geschikt voor de vraag waarom we het überhaupt zouden willen, en precies dat verschil dreigt in een tijdperk van snelheid, schaal en automatisering belangrijker te worden dan ooit.
Wat besteden we uit aan AI – en wat niet?
Daarna wordt het boek veel praktischer, omdat filosofische bespiegelingen interessant zijn, maar bedrijfsleiders, beleidsmakers, leerkrachten, ouders en opvoeders uiteindelijk met heel concrete keuzes zitten.
Wat laat je aan AI over en wat niet? Waar helpt technologie ons werkelijk vooruit en waar dreigen we vooral ons eigen denkvermogen uit te besteden? Hoe organiseer je een bedrijf waarin mens en machine samenwerken zonder dat de mens langzaam de minst nieuwsgierige component van het systeem wordt? Hoe bereid je kinderen voor op een wereld waarin kennis overal beschikbaar is, maar oordeel, verbeelding en nieuwsgierigheid belangrijker worden dan ooit? En hoe zorg je ervoor dat beleid niet voortdurend achter technologie aanholt, maar probeert richting te geven aan wat we ermee willen doen?
Dat is voor mij uiteindelijk de echte uitdaging van AI: niet leren hoe wij zoveel mogelijk op machines kunnen lijken, maar leren hoe wij machines kunnen gebruiken zonder te vergeten waarin wij mens willen blijven.
Misschien heeft AI juist een handleiding voor de mens nodig
En dan gebeurt er aan het einde van het boek iets waar ik tijdens het schrijven zelf nogal plezier in kreeg, omdat ik daar de hele redenering omdraai en niet langer vraag hoe mensen met artificiële intelligentie moeten omgaan, maar hoe artificiële intelligentie eigenlijk met mensen moet omgaan.
Na alle brieven aan de mens schrijf ik daarom brieven aan AI, waarin ik probeer uit te leggen wat voor merkwaardige soort wij eigenlijk zijn. Mensen zijn rationeel, behalve wanneer we dat niet zijn; we willen verandering zolang er maar niets verandert; we vragen om advies en negeren het vervolgens; we zijn nieuwsgierig en bang tegelijk, briljant en irrationeel, compassievol en egoïstisch, vaak allemaal binnen dezelfde dag.
Als wij de komende decennia steeds intensiever met intelligente systemen gaan samenwerken, leek het me daarom alleen maar eerlijk om ook de andere helft van die relatie van een handleiding te voorzien, want misschien heeft AI uiteindelijk net zoveel uitleg over ons nodig als wij over AI.
AI knipt het licht aan
Daarom zie ik artificiële intelligentie niet als de indringer die onze kamer binnenkomt om onze stoel in te pikken, maar als iets veel interessanters: AI komt binnen, loopt naar de muur, knipt het licht aan en dwingt ons daardoor ineens te kijken naar wat er al die tijd in die kamer stond.
Wat daar vervolgens in dat felle licht zichtbaar wordt, zijn wijzelf, met al onze intelligentie, creativiteit, nieuwsgierigheid, tegenstrijdigheden, zwaktes en mogelijkheden.
Dat is voor mij de renaissance van de filosofie: niet omdat AI alle antwoorden heeft, maar omdat het ons dwingt opnieuw de vragen te stellen die ertoe doen.
Welke menselijke kwaliteiten willen we behouden wanneer machines steeds meer van ons kunnen overnemen? In De renaissance van de filosofie gebruikt Rik Vera AI als spiegel om opnieuw te kijken naar intelligentie, creativiteit, nieuwsgierigheid en menselijkheid. Bestel het boek bij Managementboek en ontdek waarom het tijd is om niet alleen betere antwoorden, maar vooral betere vragen te formuleren.