Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Recensie

Onafhankelijkheid voor Europa

Het lijkt wel alsof de gestage eenwording van Europa een tweede spoor trekt waarin het Rijnlandse denken aardig aan het gedijen is. Het Angelsaksische denken, met zijn nadruk op de aandeelhouder, is niet meer zo vanzelfsprekend als een paar jaar geleden.

Pierre Pieterse | 24 juni 2008 | 9-13 minuten leestijd

Natuurlijk gaat het nog altijd om winst, maar ook om andere dingen. Zoals duurzaamheid of verantwoord ondernemen. In 2004 verscheen het boek Onafhankelijkheid voor Europa van Donald Kalff, een vurig pleidooi om toch vooral van eigen kracht uit te gaan, en het Angelsaksisch denken te laten voor wat het is. Dit boek is in vele opzichten een opmerkelijk boek. Het rekent af met het idee dat de fixatie op winst, of aandeelhoudersbelang, in het belang is voor de onderneming, en daarmee de aandeelhouders. Daarnaast laat het zien dat de concurrentiepositie van Europa al sterk is, maar door de gestage eenwording de VS van de kaart zal gaan blazen. Maar wellicht is nog het meest opmerkelijke de auteur. Donald Kalff is geen wetenschapper of adviseur, maar een gepokt en gemazeld praktijkman, met werkgevers als Shell en KLM. Iemand dus die weet waarover hij spreekt. Uit ervaring.

Kalff stelt dat het Amerikaanse ondernemingsmodel dat is gebaseerd op aandeelhouderswaarde helemaal niet zo succesvol is geweest als is verondersteld. Zelfs toen eind vorige eeuw de bomen tot aan de hemel reikten, blijkt nu dat veel Amerikaanse en op Amerikaanse leest geschoeide bedrijven veel slechter te hebben gepresteerd dan bedrijven die een Europees ondernemingsmodel hebben gehanteerd. Kalff laat zien dat de creatie van waarde verre valt te verkiezen boven het focus op winst. In economisch goede maar ook in economisch slechte tijden. Kalff durft zelfs de stelling te verdedigen dat de gestage eenwording van Europa uiteindelijk zal leiden tot een situatie waarin Europese bedrijven de dienst gaan uitmaken.

Opmars van Europa

In het boek Onafhankelijkheid voor Europa laat Donald Kalff er geen twijfel over bestaan dat het Amerikaanse ondernemingsmodel met zijn blinde fixatie op winst geen toekomst meer heeft. Behalve dat het Europese ondernemingsmodel, dat juist uitgaat van waardecreatie, op zich al bijzonder concurrerend is, en de basis daarvoor almaar steviger wordt, is het Amerikaanse model zijn thuisbasis aan het verliezen. Letterlijk zegt Kalff: ‘Een nieuwe Amerikaanse recessie, die gezien de erfenis van de jaren negentig zeer wel mogelijk is, zou de migratie naar Europese ondernemingsmodellen in een stroomversnelling kunnen brengen.’

Wie echter goed tussen de regels doorleest, weet dat Kalff hiermee bedoelt dat zo’n recessie het definitieve failliet van het model zal betekenen. En deze woorden krijgen bovendien extra lading nu we weten dat George Bush, niet minder dan de wederopstanding van de economisch gezien rampzalige jaren Reagan, het nog vier jaar mag proberen. Nog meer belastingverlagingen, een nog groter begrotingstekort, kortom de ingrediënten voor een gegarandeerde recessie.

De doodlopende spiraal van winstfixatie

De eerste helft van het boek is een uitgebreide beschrijving van de opkomst en aanstaande ondergang van het Amerikaanse ondernemingsmodel. Wie de actualiteit de laatste jaren heeft gevolgd, kan zich een aardig beeld vormen van de inhoud van die hoofdstukken. Maar twee conclusies springen er uit. In de eerste plaats dat de fixatie op aandeelhouderswaarde een in zichzelf doodlopende spiraal is. Je kunt niet blijven groeien door allerlei kostenreducties of overnames. Vooral overnames blijken steeds vaker een kostbare aangelegenheid die zich niet meer terugverdient. En ook kostenreducties kennen een bodem. Uiteindelijk draait ondernemen om productiviteit, en om het creëren van waarde, de winst volgt dan vanzelf. Dat zijn dan ook precies de twee zaken waarin het Europese ondernemingsmodel excelleert.

In de tweede plaats wordt de kern van het Amerikaanse ondernemingsmodel gevormd door concurrentie: tussen business units, tussen dochterbedrijven, en tussen managers onderling. Het idee hierachter is dat deze vorm van marktwerking leidt tot winst, maar in werkelijkheid wordt er waarde vernietigd. In harde euro’s. Schaalvoordelen worden onvoldoende benut, innovaties niet uitgewerkt, of bedrijfsactiviteiten worden nooit geoptimaliseerd. Het Europese ondernemingsmodel daarentegen is gebaseerd op samenwerking en vertrouwen. Tussen business units, maar ook tussen managers onderling en het personeel. Ook op deze manier wordt er waarde gecreëerd, op de korte en de lange termijn.

De VS versus Europa

Zelfs in de hoogtijdagen van het Amerikaanse ondernemingsmodel, eind vorige eeuw, toen alle condities optimaal waren, hebben ondernemingen op Europese leest beter gepresteerd. ‘The American Way’ blijkt niet te hebben geleid tot noemenswaardige productiviteitsgroei, en de winsten die werden gegenereerd blijken te zijn gekocht, of, zoals later blijkt, frauduleus tot stand gekomen. Maar bedrijven gestoeld op het Europese ondernemingsmodel hebben nog een belangrijke troef: de concurrentiepositie van Europa! Met gestage eenwording van Europa ontstaat er een markt waarvan de bronnen en mogelijkheden bij lange na nog niet zijn gebruikt. Zowel op het gebied van afzet als op het gebied van samenwerking.

Dit is belangrijk, omdat de strijde tussen het Amerikaanse en Europese ondernemingsmodel zich zal afspelen op Europees grondgebied. En wel tussen Europese ondernemingen die het Amerikaanse model aanhangen, en Europese bedrijven die het Europese model volgen. Juist in Europa zullen interne groei en samenwerking van doorslaggevende betekenis blijken. We zullen in de nu volgende minuten het Europese ondernemingsmodel nader beschouwen.

Korte versus lange termijn

Het alom aanwezige uitgangspunt van het Europese ondernemingsmodel is dat de beschikbaarheid van risicodragend kapitaal en nieuwe technologie niet de aanjagers zijn van groei en ontwikkeling van de onderneming. Binnen het Europese model ligt de focus op de capaciteiten van medewerkers en management, en de kwaliteit van de onderlinge samenwerking. Om zodoende duurzaam te opereren.

Dat klink heel plechtstatig, maar als je bedenkt dat afhankelijkheid van risicodragend kapitaal betekent dat het belang van de aandeelhouder die dat kapitaal investeert, op de eerste plaats komt, in termen van rendement, dan zie je meteen dat elke langetermijnstrategie geen optie is. Het gaat niet om de onderneming maar om de kapitaalverstrekker! Bovendien zijn nieuwe technologieën op heel korte termijn economisch interessant, maar op de iets langere termijn verdwijnt het concurrentievoordeel van zulke technologieën. Dat is dan ook de reden dat het Amerikaanse ondernemingsmodel, gestoeld op beide premissen, geen productiviteitsgroei heeft laten zien.

Aanjagers van het Europese model

Wat zijn dan wel de aanjagers van het Europese model? Dat zijn is een andere verhouding tot kapitaalverstrekkers, het toezicht op het bestuur, de positie van de CEO, de rol van management- en organisatieontwikkeling, en de wijze van beloning.

Binnen het Europese model verlangen investeerders geen resultaten per kwartaal. Men stuurt aan op lange-termijnresultaten. Elke investering is gebaseerd op vertrouwen en niet op direct rendement. Dat betekent dat het management zijn eigen koers kan volgen, zonder de hete adem van investeerders in de nek te voelen. Dat vertrouwen is weer gebaseerd op de rol van de CEO en het toezicht op het bestuur. Ook hier is samenwerking het fundament. De CEO is niet allesbepalend, hij is slechts een spin in het web, terzake kundig ondersteund door de raad van toezicht. Waar in het Amerikaanse ondernemingsmodel de CEO een ongekroonde keizer is, daar is de CEO in het Europese model iemand die het ondernemingsevenwicht bewaart. In feite is hij wat een CEO moet zijn: de leider van het managementteam. Hij besluit niet, hij geeft leiding aan het managementteam, en zorgt ervoor dat besluiten op de juiste wijze worden genomen. Daarnaast is hij degene die samen met zijn team nieuwe initiatieven ontplooit en uitwerkt, of nieuwe ideeën vanuit de organisatie faciliteert.

Een andere belangrijke aanjager is management- en organisatieontwikkeling. Ook hier is vertrouwen het sleutelwoord: men beschouwt managers en medewerkers niet als ‘human resources’, maar als de onderneming! Dat betekent dat openheid en transparante besluitvorming een sine qua non zijn. Alleen dan kun je gezamenlijk ontwikkelen en bouwen.

Dan de beloningsstructuur. Die is gebaseerd op de prestatie van de onderneming als geheel. Dus of de bedrijfsdoelstellingen worden bereikt. Om de zaak volkomen zuiver te houden, is het uit den boze dat managers of medewerkers aandelen bezitten. Het eigenbelang mag nooit prevaleren boven het algemeen belang, zelfs de verlokking daartoe moet worden uitgebannen.

Kalff is realist genoeg om te signaleren dat sommige zaken op dit moment nog niet geheel uit de verf komen. Anderzijds is hij ‘ondernemer’ genoeg om hardop te zeggen dat dit de enige manier is. Je zult moeten samenwerken en vertrouwen winnen om datgene te doen dat op langere termijn soelaas biedt: waarde creëren.

Eigen bronnen eerst

De redenering achter het adagium ‘eigen bronnen eerst’ is bijzonder helder: waarom telkens eindige bronnen van buitenaf aanboren als je eigen bron oneindig is. Vergelijk het met een kind: geef ze tien auto’s en ze spelen, geef ze er tien bij, en ze spelen nog altijd. Hetzelfde! Alleen zijn ze even afgeleid door het nieuwe, en lijkt het dat ze meer tevreden zijn. Maar het kind dat niet meer dan tien auto’s heeft, gaat zelf dingen erbij zoeken. Hij bouwt van blokken een garage, maakt van karton een weg. Of gaat met zijn tien auto’s spelen met een vriendje die ook tien auto’s heeft. Kortom, hij creëert waarde, zonder dat dat iets extra’s kost. Terwijl het kind met twintig auto’s al snel dertig auto’s verlangt. Zonder dat dat iets toevoegt aan zijn spelplezier.

Fuseren of samenwerken?

Waarde creëren doe je dus door je eigen bronnen aan te boren en door samenwerking. Kallf is hier bijzonder ondubbelzinnig is: waarom zou je het buiten zoeken als het binnen aanwezig is. En dat tegen aanzienlijk minder kosten. En als het dan toch buiten moet zoeken, kies dan voor de weg van samenwerking in plaats van harde concurrentie. Zowel binnen als buiten de onderneming. En dat brengt ons bij het specifieke Europese klimaat: fusies en overnames leiden, behalve tot waardedestructie vanwege de enorme kosten, in Europa al gauw tot een verbod van de mededingingsautoriteit. Bovendien is het verschil in cultuur en ondernemingsklimaat binnen Europa niet bepaald een voedingsbodem voor grootschalige overnames. Dat is bijna on-Europees.

Maak dus van de kracht een echte kracht. Vertrouwen dat binnen elke onderneming al de aanjager is voor waardecreatie, is tevens een meer dan gezonde basis om allianties aan te gaan, in plaats van met geweld een ander over te nemen. Op die manier maak je gebruik van andermans specifieke sterke punten, zonder dat één van de partijen zijn eigen identiteit, en specifieke positie verliest: toegang tot elkaars markten, maar ook tot elkaars technologieën, met behoud van eigen identiteit en eigen waarde. Bovendien is samenwerking een probaat middel om de benodigde flexibiliteit te behouden.

Bouwen in plaats van vernietigen

Europa is een continent waar momenteel conflicten op diplomatieke wijze worden opgelost. Op basis van respect en vertrouwen. De geschiedenis heeft wat dat betreft zijn sporen wel nagelaten. Maar Europa mag dan één worden, dat betekent niet dat daarmee elke culturele grens niet meer bestaat. Hetzelfde geldt voor Europese ondernemingen. Hoewel de markt één is, blijven de specifieke lokale condities hetzelfde. Verovering is dan een optie, maar gezien de traditie en politieke koers is samenwerking veel functioneler.

Vertrouwen en samenwerking is volgens Kalff de enige vruchtbare weg. Tot duurzaamheid maar ook tot economische voorspoed. Wantrouwen en tegenwerking leiden tot alleen maar verzet. Waarbij uiteindelijk de kosten niet opwegen tegen de baten. Het opbouwen van vertrouwen en die relatie onderhouden, is de essentie van het Europese ondernemingsmodel. En dat terwijl het Amerikaanse ondernemingsmodel de vernietiging van vertrouwen als kenmerk heeft. Alles moet wijken voor winst, onder het mom van aandeelhoudersbelang.

Waardecreatie wordt volgens Kalff de alom beslissende kritieke succesfactor. Dat was het al natuurlijk, maar nu als gevolg van de malaise eind vorige eeuw het vertrouwen tussen financiers en ondernemingen fundamenteel is beschadigd, en de benzine voor de Amerikaanse motor dus schaars wordt, zal dat alleen maar duidelijker worden. Het Amerikaanse ondernemingsmodel moet het hebben van externe input, terwijl het Europese ondernemingsmodel op eigen kracht kan varen.

Onafhankelijkheid voor Europa. Het einde van het Amerikaanse ondernemingsmodel is typisch zo’n boek dat vraagt om overdenking, dus om tijd. En dus moeilijk kan worden weergegeven in een paar woorden. Het is een boek dat op het nachtkastje hoort, of mee moet op vakantie. Elke conclusie roept vragen op, elke constatering ergernis. Zeker in een tijd waarin het Amerikaanse denken zo de overhand heeft. Vandaar tot slot de woorden van Fons Trompenaars: ‘Kalff analyseert in dit boek de fundamentele tekortkomingen van de Angelsaksische ondernemingscultuur en schetst de contouren van een sterk concurrerend Europees alternatief. Verplichte literatuur.’

Over Pierre Pieterse

Pierre Pieterse is hoofdredacteur van Managementboek Magazine.

Deel dit artikel

Wat vond u van dit artikel?

0
0

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden