Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Achtergrond

Belastingparadijs: hoe aanslagen voorkomen

In Het belastingparadijs beschrijven Van Geest, Van Kleef en Smits Nederland als een bijzonder uitnodigend belastingparadijs voor buitenlandse bedrijven en vermogende particulieren. De fundamenten voor dit paradijs werden gelegd door notaris mr. A.A.G. (papa Ton) Smeets op een Nederlands eiland aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan, namelijk in Curaçao en nog wel ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Hoe voorkom je ‘aanslagen’?

Aart G. Broek | 8 mei 2013 | 6-8 minuten leestijd

Terwijl Nederland onder de voet werd gelopen door Duitsers, de kolonie Indonesië werd bezet door Japanners, kwam het gebiedsdeel Curaçao ongeschonden – zelfs redelijk welvarend - door de oorlog. Op dat eiland stond de grootste raffinaderij van wat de Koninklijke/Shell Group zou worden. Het verwerkte sinds de jaren twintig olie uit Venezuela. Dat indrukwekkende complex vormde een van de drie grootste raffinaderijen van de wereld. De grootste raffinaderij was de Anglo-Iranese Abadan raffinaderij aan de Shatt al-Arab rivier. Nummer twee bevond zich ... op Aruba, het zustereiland van Curaçao, en was eigendom van de Amerikaanse Lago Oil & Transport Company.

De raffinaderijen op de twee eilanden leverden het grootste deel dat benodigd was voor de geallieerde Fleet Air Arm. In 1941 was ca. 85% van de geallieerde vliegtuigbenzine van de Antilliaanse eilanden afkomstig. In de daarop volgende twee jaren draaide de gehele geallieerde macht in Noord-Afrika op de eilandelijke olieproducten, terwijl in de laatste twee oorlogsjaren de strijd in de Pacific voor 75% op Antilliaanse brandstof werd gevoerd.

Twee van de drie grootste raffinaderijen van de wereld stonden tijdens de Tweede Wereldoorlog op Nederlands grondgebied! Opmerkelijk genoeg werden die immens belangrijke industrieën nooit wezenlijk bedreigd door Duitsland, terwijl dat land langdurig oppermachtig was in de Caraïbische Zee. Een strategische fout of een weloverwogen handelen van de Duitsters?

Het mag niet verwonderen dat Groot Brittannië en later de Verenigde Staten de verdediging van de eilanden nadrukkelijk naar zich toetrokken. Aruba en Curaçao kónden ook niet door het moederland worden verdedigd. De regering zat vleugellam in Londen. De eilanden werden dan ook ‘bezet’ door geallieerde grootmachten. De andere Nederlands-Antilliaanse eilanden behoefden niet verdedigd te worden. Met name de Bovenwindse eilanden vormden uiterst kleine samenlevingen, waar de oorlog het isolement alleen maar vergrootte.

De oorlog was op Aruba en Curaçao op allerlei wijzen merkbaar, maar vooral op zee. Aan land was de vijand ver weg en waren pijn en dood vooral krantennieuws. Er werd als het ware een ringdijk van verdedigingswerken en ‘uitheemse’ militaire mankracht gevormd, waarachter de eilanden relatief veilige oorden waren. Het aantal Britse soldaten zou in 1941 oplopen tot zo’n 1.300 man. Op 11 februari 1942 maakten de Britse troepen plaats voor een Noord-Amerikaanse bezetting. In rap tempo nestelden zich 2.500 soldaten uit de VS op Curaçao en Aruba. Het aantal zou uitgroeien tot boven de 4.000 man. Met de mankracht van de grootmachten kwamen luchtafweer, radarsystemen, vliegtuigen, schepen, drijvende dokken, antitorpedonetten, en wat al niet meer aan uiteenlopend materieel ten behoeve van verdediging en oorlogvoering. Er werd echter nooit een schot gelost ter verdediging van de raffinaderijen.

Op 7 december 1941 zoog Japan de Verenigde Staten actief de oorlog in door een verrassingsaanval op de Amerikaanse vlootbasis in Pearl Harbor. Hierdoor kwam ook het Caribisch gebied voor grootscheepse oorlogsoperaties op de kaart te staan. De olie van de raffinaderijen op Aruba en Curaçao zorgden vanzelfsprekend voor grote belangstelling van Duitsland. Die gaf daaraan inhoud met een bijzonder geavanceerde vloot van onderzeeboten. Bijna anderhalf jaar hebben Curaçao en Aruba midden in moordend vuur van de oorlog gelegen. Vanaf februari 1942 tot eind juli 1943 heersten de Duitsers namelijk oppermachtig in de Caraïbische Zee.

Het eerste doeltreffende offensief in de Caribische Zee, operatie Neuland, ging van start in de maanloze nacht van 15 op 16 februari 1942. In de opvolgende nacht waren Curaçao en Aruba voor het eerst verduisterd, opdat vanuit zee of de lucht ieder oriëntatiepunt zou ontbreken. De eilanden bleven tot in oktober 1943 ‘s nachts in volledige duisternis gehuld. Het werd een inspanning waarop angstvallig nauwgezet werd toegezien door leden van de militaire politietroepen (KMP): een voortdurende jacht op licht. In zijn anekdotische herinneringen schampert de Curaçaose KMP’er Pierre Lauffer dat de verduistering ‘de grootste pantomime was’ die men zich kon voorstellen. In de jacht op licht om de verlangde duisternis te verkrijgen, bleef de ‘de steekvlam van de raffinaderij’ gewoon branden!

De eilanden zelf bleven echter veilige havens vormen. De aanvalsdoelen van de Duitse onderzeeboten betroffen niet de raffinaderijen zélf en ook niet de, qua omvang, bescheiden lake tankers die de ruwe olie aanvoerden vanuit de Golf van Maracaibo in Venezuela. Slechts enkele van die tankers zouden tot zinken gebracht hoeven te worden om de doorgang volledig te blokkeren. De grote zeetankers die de geraffineerde olie over de wereld verspreidden, vormden primair het doelwit. Op de schepen waren angst, moed, pijn en dood ongetwijfeld beduidend meer dan een krantenbericht. De vijand was níet ver weg.

In de eerste maanden van 1943 verflauwde de aanvalsdruk van Duitse onderzeeërs om in juni van dat jaar nog kortstondig en heftig in intensiteit toe te nemen. Organisatorische, materiële en technische verbeteringen zorgden echter voor een overwicht van de geallieerden. Van een bedreiging waren de onderzeeboten – in hedendaagse termen - een uitdaging geworden, waaraan in augustus 1944 volledig een eind kwam.

Het zou zorgwekkender zijn geweest wanneer de Duitsers de raffinaderijen zouden hebben aangevallen. Opmerkelijk genoeg geschiedde dat juist niet. De Kriegsmarine heeft zich niet ingespannen om de olietoevoer dáár te raken waar die daadwerkelijk konden worden lamgelegd: de Venezolaanse olievelden, de korte zeeverbinding tussen Venezuela en de eilanden, of – zeker zo effectief – de raffinaderijen van Aruba en Curaçao.

Dit zou een strategische blunder kunnen zijn geweest, zoals sommige historici menen. Of gewoon ‘onverklaarbaar’, omdat het evident was dat een succesvolle aanslag op de raffinaderijen de geallieerde kracht serieus zou verzwakken. Het zou ook, zoals een enkele historicus meent, minder gemakkelijk te realiseren zijn geweest dan we nu menen om de raffinaderijen door terreuracties lam te leggen.

Een mogelijke reden waarom de raffinaderijen werden gespaard, was op de eilanden tijdens de oorlog al onderwerp van gesprek: bereikte de olie misschien ook de Duitsers? ‘Waar haalden die Duitsers hun brandstof vandaan?’ zo vroeg de journalist Johan van de Walle zich al af tijdens de oorlog, toen hij op het eiland werkte. Het was ondenkbaar dat alle benodigde brandstof voor de onderzeeërs van buiten de Caraïbische regio kwam. Er waren kuststreken in Latijns-Amerika waar het voor de Duitsers niet zo moeilijk was een rustig plekje te vinden ‘waar ze zo nu en dan konden bijtanken’.

De gouverneur van de eilanden verzekerde in april 1942 nadrukkelijk dat er geen olieproducten aan vijandelijke schepen werden geleverd. De eilandbewoners hechtten minder geloof aan de woorden van de gouverneur en de idee zou ook niet meer verdwijnen. De vlammende pijp van de raffinaderij op een verder verduisterd eiland - als het ware de roos van een schietschijf - kon ook niet bijzonder overtuigen. De raffinaderijen leverden stellig niet rechtstreeks aan de Duitsers, maar onder de Latijns-Amerikaanse bondgenoten die wél olie ontvingen, bevonden zich ongetwijfeld ‘lieden die van twee walletjes wilden eten’. Van de Walle: ‘Ik begon te vermoeden dat de Duitsers helemaal geen aanval op onze oliefabrieken of op onze kittige oliebootjes in de zin hadden. Ze wilden alleen voorkomen dat de ruwe olie, eenmaal tot benzine verwerkt, op voor hen verkeerde plaatsen werd gebruikt.’

De raffinaderijen waren van belang voor geallieerden én voor hun Duitse tegenstanders. Dat is een begrijpelijke verklaring voor het gegeven dat de raffinaderijen en de eilanden ontsnapten aan rechtstreeks contact met het oorlogsgeweld. Hoe het ook zij, Curaçao was inderdaad een veilig oord van waaruit de fundamenten voor het ontwijken van belastingeisen konden worden gelegd. Het eiland heeft een lange geschiedenis van het voorkómen van ‘aanslagen’.

Over Aart G. Broek

Aart G. Broek specialiseerde zich in communicatiewetenschappen, sociologie en, meer recentelijk, criminologie (geweldsproblematiek); werkzaam als adviseur/projectmanager organisatie- en bestuurskunde. agbroek@planet.nl

Deel dit artikel

Wat vond u van dit artikel?

0
0

Boeken bij dit artikel

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden