Achtergrond

Rouw kun je niet uitklokken - Over aandacht, aanpassing en de terugkeer naar werk

Na het overlijden van haar echtgenoot schreef Annegreet van Bergen Over liefde, de dood en verder leven na verlies. Een boek waarin zij haar rouw en verhaal verbindt met veranderende inzichten over verlies en verdriet. In dit essay verkent zij wat organisaties, leidinggevenden en collega’s kunnen betekenen voor medewerkers die een dierbare verliezen. ‘Rouw is een zware mentale belasting en staat helder denken vaak in de weg.’

Annegreet van Bergen | Mirjam van der Linden | 14 augustus 2026 | 7-10 minuten leestijd

Jarenlang heerste er in Nederland op vele fronten een zwijgcultuur. Ook wanneer het over dood en verlies ging. Als er iemand gestorven was, zweeg je over hem of haar. Zand erover, dapper doorgaan, was het devies. Het achterliggende idee was dat je door een overledene ter sprake te brengen het verdriet zou ‘oprakelen’. Ja: er konden inderdaad tranen vloeien als mensen over de gestorvene praatten en vertelden hoe zij deze dierbare misten. Daarom begonnen anderen er maar liever niet over.

Maar verstandig was dat allerminst. Volwassenen die als kind in de jaren vijftig of zestig hun vader of moeder hebben verloren, hebben daar nu vaak nog last van. Zij hadden een groot verdriet, maar doordat ze er met niemand over konden praten, kropten ze het op en daardoor werd dat verdriet eerder groter dan kleiner. Het kreeg een extra rouwrandje doordat de overleden vader of moeder als het ware taboe werd verklaard en in een vreemde veranderde. De dood was een raadsel, verboden terrein. Inmiddels weten we dat het gezegde ‘spreken is zilver, zwijgen is goud’ niet opgaat voor gesprekken over onze doden. Wanneer nabestaanden hun hart kunnen luchten, krijgt het verdriet als het ware een uitweg. Daarom worden kinderen die nu op jonge leeftijd een ouder verliezen, juist aangemoedigd over hun vader of moeder te praten en herinneringen aan hen op te halen. Praten maakt het verdriet niet kleiner, maar het wordt er wel beter hanteerbaar door.

Aandacht

Wanneer de dierbare van een medewerker overlijdt, is het eveneens goed dat diegene op het werk zijn of haar hart kan luchten. Mensen schudden zulk zwaar verdriet niet zomaar van zich af. Ze nemen het onherroepelijk mee naar hun werk. De vraag is hoe een organisatie daar het beste mee kan omgaan. Een kant en klaar recept daarvoor bestaat niet. Maar één ding staat wel vast: zwijgen en net doen alsof er niets aan de hand is, is nooit goed. Verdriet en rouw tasten iemands emotionele welbevinden aan en hebben, met name in een door hoofdarbeid gedomineerde wereld, invloed op hoe diegene functioneert.

Aandacht is sowieso belangrijk. Het gaat om mensen. Wanneer er een doodsbericht binnenkomt, doet een leidinggevende er verstandig aan meteen van zich te laten horen. Dat kan op verschillende manieren. Een appje, een telefoontje. Maar in kleine teams stellen medewerkers wellicht bezoek aan huis en/of aanwezigheid bij de uitvaart op prijs. Erkenning van verdriet en het gemis doet iedereen goed.

Collega’s die wat meer op afstand staan en die de rouwende collega voornamelijk van het werk kennen, weten vaak niet goed wat ze moeten zeggen wanneer ze hem of haar voor het eerst op de werkplek weer tegenkomen. Negeren is geen optie. Als je het moeilijk vindt om iets te zeggen of wanneer je niet weet wát je moet zeggen, zég dat dan. Zeg het ook wanneer door de confrontatie met andermans verdriet jouw eigen verdriet opwelt en er daardoor ook bij jou tranen vloeien (zonder overigens al te lang over dat eigen verdriet uit te weiden). Vaak volstaat een handdruk en is een simpele frase als ‘heel erg gecondoleerd’ al een voldoende blijk van medeleven.

Stress

Het overlijden van een kind of echtgenoot is een van de meest stressvolle gebeurtenissen die een mens kan overkomen. Maar ook de dood van andere dierbaren - zoals ouders, broer of zus - zorgt vaak voor stress. Klinisch gezegd: in al deze gevallen moeten de ‘achterblijvers’ zich aanpassen aan een nieuwe en volstrekt ongewenste situatie. Zo’n aanpassing kost veel emotionele energie. Je kunt het ook iets poëtischer verwoorden en stellen dat mensen die in de rouw zijn, worden overweldigd door inwendig tumult. Vaak is dat een golfbeweging. Soms lijkt alles normaal, maar dan is er opeens weer het overdonderende besef van gemis en verdriet. Dan realiseren de ‘achterblijvers’ zich dat de wereld op z’n kop staat en dat ze daarmee moeten zien te dealen. Je voortdurend aanpassen aan dit akelige besef lijkt in een aantal opzichten op (het begin van) een burn-out.

Een belangrijke overeenkomst is dat het emotionele brein het vaak wint van het cognitieve deel. Stress maakt dom. Rouw doet dat op een bepaalde manier ook. Rouw is een zware mentale belasting en staat helder denken vaak in de weg. Routinedingen die je op de automatische piloot kunt doen, vormen doorgaans niet of nauwelijks een probleem. Maar nieuwe, ingewikkelde situaties het hoofd bieden en daarvoor oplossingen vinden is een stuk lastiger. Echter, dit soort intellectuele creativiteit is in de huidige door hoofdarbeid gedomineerde economie vaak het voornaamste bestanddeel van het werk van kenniswerkers.

Takenpakket

Die kunnen in de eerste periode na een overlijden zelden of nooit zomaar weer hun oude taken volledig oppakken. Botweg gezegd zijn ze daar tijdelijk te dom voor. Zij moeten tijd en ruimte krijgen om mentaal weer op adem te komen. Door het takenpakket aan te passen kan iemand op een goede manier (geleidelijk) weer aan het werk gaan. Verstandige leidinggevenden overleggen met ‘achterblijvers’ wat die wél en wat die niet aankunnen. In dat opzicht lijkt het veel op re-integratie na een burn-out. Ook dan keren medewerkers stap voor stap terug op het werk. In beide gevallen is het maatwerk. Sommigen willen dolgraag zo snel mogelijk weer ‘de oude’ worden en doen zich als het ware stoerder voor dan ze zijn. Vaak betalen ze daar op termijn alsnog de rekening voor. Anderen zullen misschien te voorzichtig zijn en hebben juist meer uitdaging nodig om de draad weer op te pakken.

Rouw is net zo persoonlijk als een vingerafdruk, wordt er vaak gezegd. Daardoor zal werk voor de een werk een zware belasting zijn, terwijl een ander het juist als een prettige afleiding ervaart. Dat laatste is vooral het geval bij werk dat mensen deels op de automatische piloot kunnen doen of bij (de steeds zeldzamere) functies waarbij je het werk met je handen doet, terwijl je met je hoofd ergens anders bent.

De Belgische rouwdeskundige Manu Keirse haalt in zijn boek Helpen bij verlies en verdriet diverse onderzoeken aan waaruit blijkt dat het niet alleen menselijkerwijs goed is dat organisaties rekening houden met rouw van medewerkers. Het is ook goed voor hun reputatie op de arbeidsmarkt. Ze worden er ook als werkgever aantrekkelijker van, wat in tijden van toenemende personeelskrapte niet onbelangrijk is. Bovendien voorkomen ‘aandachtige’ organisaties dat rouwende medewerkers te veel druk en overbelasting ervaren en als gevolg van een stapeling van stressfactoren in een zware burn-out belanden.

Vuistregels

De meeste medewerkers komen na een overlijden langzaam maar zeker weer in rustiger vaarwater. Voor buitenstaanders is dat vaak moeilijk te peilen. Maar vraag nooit als je wilt weten hoe het gaat: ‘Ben je er al overheen?’ Hoe goed bedoeld ook, het is een domme vraag. De dood van een dierbare is geen hek waar je ‘overheen’ stapt. Je leert hooguit te leven met die dood. ‘Heb je het al een plekje kunnen geven?’ Ook die eigentijdse variant op de overheen-vraag kun je beter niet stellen: zo’n plekje bestaat domweg niet.

Sowieso is het lastig om nabestaanden met de juiste woorden te bejegenen. Niet alleen op het werk, ook in het gewone leven. Ook hier geldt dat er geen algemeen recept voor de beste benadering bestaat. Wel zijn er vuistregels voor wat je beter niet kunt zeggen of wat je beter niet kunt doen. Veel mensen willen instinctmatig helpen wanneer ze zien dat anderen verdriet hebben. Ze gaan op zoek naar lichtpuntjes en proberen de ‘achterblijvers’ op te beuren. Maar daarmee help je ze meestal van de wal in de sloot. Welke verdrietige ouders knappen er nou van op wanneer iemand na de dood van hun dochter zegt: ‘Gelukkig heb je nog een zoon.’ Wat doet het met een weduwe die te horen krijgt: ‘Hij was toch al zestig. Bij ons in de straat is een jonge vader van veertig overleden. Dat is echt heel erg.’ Zo werkt het niet. Er is geen hiërarchie van ‘een beetje erg’, ‘gewoon erg’ of ‘echt heel erg’. ‘Elk verdriet is het ergste verdriet,’ zei schrijfster Chaja Polak ooit in een interview.

Wat werkelijk troost, is te erkennen dat er geen troost mogelijk is. Er is een pijn die niet verzacht kan worden. Luisteren is vaak het beste wat je kunt doen. In 1983 gaf Inez van Eijk in haar boek Etiquette vandaag een advies dat de tand des tijds glansrijk heeft doorstaan: ‘Adviezen worden er nauwelijks van u gevraagd, alleen een goed luisterend oor is voldoende en begrip voor het verdriet van de ander. Probeer dat niet te weerleggen, kom niet te gauw met quasi opbeurende teksten: “Kop op, je hebt je kinderen nog! Het leven gaat verder. Geloof me, de tijd heelt alle wonden.”’

Prettige herinneringen ophalen biedt wel troost. Als je de overledene hebt gekend kun je leuke anekdotes ophalen of kenmerkende uitspraken citeren. Heb je de dode nooit ontmoet, dan zou je kunnen vragen wat de nabestaande het meeste mist of het moeilijkste vindt. Vrijwel alles is goed. Maar doodzwijgen niet. Dat is nooit goed.

Over Annegreet van Bergen
Annegreet van Bergen is econoom, journalist en auteur van de bestsellers De lessen van burn-out en Gouden jaren. In 2026 verscheen haar boek OVER LIEFDE,   de dood en verder leven na verlies

Deel dit artikel

Wat vond u van dit artikel?

0
0

    Personen

      Trefwoorden

        Artikelen