Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Recensie

Denken over geweld

Het is verleidelijk om Met alle geweld, het nieuwe boek van filosoof Hans Achterhuis, alleen al vanwege zijn omvang (730 tekstpagina’s) een beetje gewelddadig te noemen. Zelf merkt hij op dat alle grote filosofen, met uitzondering van Immanuel Kant, een tiranniek trekje vertonen. Een rest daarvan vindt men ook bij Achterhuis die met alle geweld zijn filosofische denken over geweld in één boek heeft willen stoppen. Het resultaat is een wat rommelig meesterwerk, waaruit veel valt te leren, maar dat zichzelf nogal eens herhaalt en wordt overwoekerd door erudiete uitweidingen.

Dick Pels | 17 november 2008 | 4-5 minuten leestijd

Met alle geweld is een evenzeer filosofische als persoonlijke zoektocht van een denker voor wie het geweld een ‘voortdurende obsessie’ is geweest. Achterhuis is alsnog geschrokken van de koele en instrumentele manier waarop hij er in zijn verleden als vredes- en anti-apartheidsactivist over schreef. In de strijd voor een betere wereld was het geweld slechts een middel tot een hoogverheven doel: de vroedvrouw van de nieuwe maatschappij, in de omineuze woorden van Karl Marx. De dood van guerillaleider Che Guevara raakte hem diep, en hij was positief over Mao Zedongs ideeën over de rol van het geweld in de revolutie. Dat veel utopisch denken een ‘extreme gewelddadigheid’ vertoont, is de ontdekking van zijn leven. Niet voor niets prijkt Thomas More’s ‘Utopia’ bovenaan op zijn lijstje van meest gevaarlijke filosofische boeken.

Volgens de bekende oneliner van de Pruisische strateeg Von Clausewitz is de oorlog ‘de voortzetting van de politiek met andere middelen’. Maar een roman als ‘Oorlog en Vrede’ van Tolstoj laat overtuigend zien dat deze middelendefinitie misleidend en ontoereikend is: het oorlogsgeweld kan door niemand rationeel worden berekend en beheerst. Het woekert onmiddellijk uit boven zijn aanstichters, en verandert in een zelfstandige kracht met een eigen demonische logica. Wie de sluizen van het geweld openzet, wordt overspoeld door de onbeheersbare stromen ervan.

Geweld roept geweld op. Het is besmettelijk en aanstekelijk, als een roes die je in de greep krijgt. Het tast zowel daders als slachtoffers aan. Ook doodgewone mensen kunnen zich ontpoppen als sadisten, zoals de bekende psychologische experimenten van Milgram en Zimbardo hebben laten zien. Vijanden die geweld tegen elkaar gebruiken gaan steeds meer op elkaar lijken. Het geweld wordt soms van generatie op generatie doorgegeven in een niet te stoppen spiraal van wraakzucht en vergelding. Geweld is met andere woorden een tweesnijdend zwaard dat niet alleen het slachtoffer maar ook de dader tot in zijn ziel verwondt.

Achterhuis is huiverig voor monocausale verklaringen van geweld, die volgens hem zoals alle zekerheden zelf ‘gewelddadig’ zijn. Want door een absolute zekerheid te claimen over de bron van alle kwaad, verschaffen mensen zichzelf een morele vrijbrief om die oorzaak definitief uit te roeien. Daarom is het van belang om zoveel mogelijk bronnen van geweld in hun onderlinge samenhang te belichten. Achterhuis onderscheidt er (tenminste) zes.

De eerste is het al eerder genoemde doel-middelschema, ofwel de overtuiging dat ‘het doel de middelen heiligt’. De tweede is de eeuwige strijd van mensen om erkenning, waarin men genoegdoening eist voor gekwetste eer en krenkingen wenst te wreken. De derde bron van geweld wordt door Achterhuis in navolging van de Franse filosoof Girard aangeduid als ‘mimetische begeerte’: de afgunst, ofwel de neiging zich boven anderen te verheffen. De vierde oorzaak van geweld is gelegen in de verleiding van het wij/zij-denken. Men zoekt houvast in de identiteit van de eigen groep en wil deze van vreemde smetten zuiveren. Het universele zondebokmechanisme is hiervan de duidelijkste uitdrukking.

De vijfde bron is te vinden in de verleiding van een ‘politiek van de deugd’ waarin politiek en moraal samenvallen en een absoluut onderscheid wordt gemaakt tussen goed en kwaad. Achterhuis beroept zich hier op zijn voornaamste inspiratiebron, de filosofe Hannah Arendt die heeft benadrukt dat het kwaad niet buiten ons staat, en niet absoluut is maar eerder ‘banaal’, omdat het als mogelijkheid in ieder mens aanwezig is. De zesde en laatste bron van geweld treft Achterhuis aan in de dierlijke ‘erfenis’ van de mens die door filosofen met hun nadruk op rationaliteit altijd is ontkend en gebagatelliseerd.

Achterhuis’ belangrijkste conclusie is dat het geweld niet definitief is uit te bannen: het behoort helaas bij de menselijke conditie. Onze belangrijkste taak is om te begrijpen waar het vandaan komt, en op basis daarvan pogingen te doen om het hier en daar terug te dringen en te leren beheersen. Alleen wanneer we leren leven met geweld, kunnen we het misschien in de hand houden. Naast de morele onverschrokkenheid van voorbeeldfiguren als Mandela en Tutu vergt dat ook de inrichting van maatschappelijke instituties die ons beschermen tegen de ‘duisternis van ons eigen hart’. Dat zijn in de eerste plaats de mechanismen van kritiek, tegenspraak en tegenmacht die zijn verankerd in de democratische rechtsstaat.

Al met al lijkt Achterhuis ondanks zichzelf toch één diepste oorzaak van gewelddadigheid aan te wijzen: de absolute zekerheid over de eigen identiteit en de eigen doeleinden, idealen en belangen. Eigenlijk is dat het punt waar de zes bronnen van geweld die hij onderscheidt samenvloeien. Dat wil zeggen dat juist het superieure geloof in de eigen waarheid en goedheid, en de daaruit volgende strijd tussen goeden en kwaden, de belangrijkste bron is van het kwaad in de wereld.

Deel dit artikel

Wat vond u van dit artikel?

0
0

Boek bij dit artikel

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden