Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Recensie

Falend toezicht in semipublieke organisaties?

Het vraagteken in de titel van Rienk Goodijks boek had weggelaten mogen worden. Bestuurlijk toezicht in semipublieke organisaties faalt veelvuldig. Dat is dan ook de voedingsbodem van Goodijks studie. Hij zoekt naar verklaringen voor dat falen van toezichthouders, zoals de ondertitel kenbaar maakt. Het belang van het boek schuilt echter in de handreikingen die Goodijk vervolgens geeft om dat falen te beperken. De titel had dit wel mogen kenbaar maken. De lading wordt beter gedekt met: 'Falend toezicht in semipublieke organisaties. Zoeken naar verklaringen en oplossingen'.

Aart G. Broek | 30 augustus 2012 | 3-5 minuten leestijd

In de afgelopen 25 jaar werd een flink aantal publieke organisaties omgebouwd tot semi-private ondernemingen. De nationale en lokale overheden meenden zich op meer afstand te moeten plaatsen van de organisaties die maatschappelijke taken aan zorg, beschermde arbeid, wonen en onderwijs uitvoerden.

Deze zogeheten 'deregulering' nam een ongekende vlucht, beschrijft Rienk Goodijk in 'Falend toezicht in semipublieke organisaties?' De Angelsaksische wijze van bedrijfsvoering diende als lichtend voorbeeld. Daarbij bepalen onder meer winstmaximalisatie, kortetermijnresultaten en meetbare eenheden het handelen van de directie en van het toezicht erop.

Ook de opzichtige Angelsaksische versierselen - variërend van leaseauto's tot bonussen en een Engelse terminologie - staken het zoute water over en nestelden zich als niet eerder in de polders.

Tegelijkertijd moesten bijzondere aangelegenheden uit het vertrouwde Rijnlandse model gehandhaafd blijven, zoals inspraak en overleg, langetermijnperspectief, toekomstvisie en maatschappelijke relevantie.

Deze wispelturige praktijk denderde voort tot de huidige crisis goed duidelijk maakte dat zorginstellingen, woningcoöperaties, hogescholen en sociale werkvoorzieningen geen bedrijven in de reguliere zin des woords zijn. Veel van deze 'bedrijven' blijken uiteindelijk grote sommen geld aan de Nederlandse schatkist te onttrekken in plaats van de inhoud ervan aan te vullen of erop te besparen.

De op- en uitbouw van semipublieke organisaties blijken een heel eigen dynamiek te hebben. De ontsporingen zijn geen incidenten meer te noemen. Er is het een en ander structureel misgegaan. Goodijk legt de verantwoordelijkheid voor de vele fiasco's niet exclusief maar wel in opmerkelijk grote mate bij het 'toezicht' op de directie van de semipublieke organisaties.

Daar zijn redenen voor. Het toezicht op dergelijke organisaties spiegelde zich aan de 'raad van commissarissen' uit het reguliere bedrijfsleven. Voeg daar nog het ideaal van de Angelsaksische bedrijfsvoering bij en uitglijders konden groteske en kostbare vormen aannemen. Toezicht is meer dan het afvinken van een lijst met harde gegevens inzake het financiële resultaat. De 'diensten' die op de markt worden gezet zijn als 'product' dikwijls van fundamenteel andere aard dan tandpasta, iPads of panty's.

Semipublieke organisaties kennen ook geen reguliere 'aandeelhouders', terwijl de diversiteit aan gelijkwaardige stakeholders groter is dan bij reguliere bedrijven. Bovendien is er nog de invloed van een venijnige politieke component.

Goodijk geeft een overtuigend zicht op de beperkte praktijk van en bekrompen opvattingen over toezicht die de overhand hebben gekregen. Hiertoe behoort als rode draad, zo lijkt de conclusie, het absoluut ontbreken van twijfel bij de raden van toezicht.

De raden van toezicht lijken zich zelden of nooit te hebben afgevraagd wat de privatisering nu eigenlijk allemaal behelsde en wat hun eigen rol van toezichthouder nu feitelijk inhield en idealiter zou moeten inhouden. De leden van de raden van toezicht vinden zelf vooral dat zij de wijsheid in pacht hebben. Zij plaatsen zelden of nooit vraagtekens bij hun eigen functioneren. Zij wanen zich als goden zo onaantastbaar. Goodijk stuurt zijn (goed opgebouwde) betoog naar een bredere taakopvatting voor toezichthouders.

Hiertoe behoren het ontwikkelen van een eigen visie op de verzelfstandiging tot 'bedrijf' en een visie op de 'onderneming' als organisatie met primair (?) maatschappelijke doelen. Deze 'bedrijven' vormen immers een onderdeel van een groter geheel aan schakels om mee samen te werken en niet op voorhand altijd om mee te concurreren. Goodijk hamert met wellevende kracht op de noodzaak om als toezichthouder duidelijkheid te verschaffen over wat je richtlijnen en criteria van toezicht zijn, wat de leidraad van je eigen functioneren is. Bovenal dienen de raden van toezicht hun keuzes te verantwoorden.

Toezichthouders zijn vaak als goden zo zwijgzaam. 'Raden van toezicht moeten kunnen uitleggen', zo stelt Goodijk met recht, 'wat het toezicht uiteindelijk heeft opgeleverd in termen van kwaliteitstoevoeging.' Heeft de organisatie of de directie door toedoen van de raad van toezicht betere, meer verantwoorde beslissingen genomen?

Goodijk bepleit feitelijk een toezicht met een veel (pro)actievere rol van de toezichthouders als uitdagende sparringpartner van directie en andere stakeholders, waaronder de ondernemingsraden en de cliënten (patiënten, sw-medewerkers, studenten). Ook om zich een positie te bepalen ten opzichte van andere vormen van toezicht - zoals inspectiediensten van overheidswege - is een nadere inhoudelijke plaatsbepaling van belang. Ten slotte (of om mee te beginnen) moeten de toezichthouders hun eigen feilbaarheid leren onderkennen.

Kortom, het is hoog tijd voor de raden van toezicht om gedetailleerd antwoord te geven op de catechetische vraag: waartoe zijn wij op aarde? Goodijk biedt deugdelijke handreikingen en aanknopingspunten. Geen bedlectuur om bij weg te dromen maar een studie die aanmoedigt om mee te denken.

Deel dit artikel

Wat vond u van dit artikel?

0
0

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden