Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Achtergrond

De filosoof en de soldaat

De filosoof met het ‘angstige karakter’, die geweld in principe vreemd is, maar wordt gefascineerd door de ongrijpbaarheid en onbeheersbaarheid ervan. De militair die van zijn beroep niet bang mag zijn en het gebruik van geweld vooral professioneel benadert. Dit contrast tussen een denker over geweld en een denkende geweldsprofessional stond jongstleden zondagavond garant voor een spannend debat in de Amsterdamse Openbare Bibliotheek. Hans Achterhuis hield er zijn nieuwste boek Met alle geweld, met als ondertitel 'Een filosofische zoektocht', ten doop. Dick Berlijn, de voormalige Commandant der Strijdkrachten, was één van de commentatoren.

Dick Pels | 28 oktober 2008 | 4-5 minuten leestijd

Valt de menselijke drang tot geweld werkelijk te begrijpen? Voor Achterhuis is het zoeken naar een antwoord op die klemmende vraag ook een pijnlijk zelfonderzoek. In zijn linkse verleden was hij geneigd het geweld vooral instrumenteel op te vatten: als een middel tot een goed doel (emancipatie) of een slecht doel (onderdrukking). Onvoldoende besefte hij wat geweld met mensen doet: het is iets wat je niet kunt beheersen, maar je meesleept en blind maakt voor de gevolgen ervan. Idealen zijn vaak vermommingen van egocentrisme en eigenbelang, en goede bedoelingen bewerken vaak het tegenovergestelde. Moreel zelfbedrog ligt bij geweldgebruik vlak om de hoek. Je verliest jezelf erin, kent jezelf niet meer, en hebt dus kritische anderen nodig om zicht te houden op je ‘duistere hart’ en de onberekenbare gevolgen van je eigen handelen.

‘Er is geen idee dat werkelijk zo belangrijk is dat je er mensen voor mag doden’, aldus de spreuk van Montaigne die prijkt in Achterhuis’ studeerkamer. Maar als je je eenmaal bewust bent van het potentieel gewelddadige karakter van hooggestemde idealen, hoe is dan nog idealisme mogelijk, zo vroeg Bas Heijne, de andere commentator, zich af. Zelf kwam hij met de uitdrukking ‘Machiavellistisch idealist’, die hij ooit had gebruikt voor (en in gesprek met) Max van der Stoel die niet had geschroomd om harde politieke middelen in te zetten voor zijn vermeend goede doelen. Idealisme was dus niet uitgesloten, maar moest beter worden ingebed in de (tot pessimisme stemmende) menselijke ervaring.

Doorgeschoten idealisme is volgens Achterhuis ook het probleem van onze aanwezigheid in Uruzgan. De legitimatie van deze humanitaire interventie riekt te veel naar ideeën over de ‘rechtvaardige oorlog’. Maar vanaf het begin is er feitelijk sprake van een vechtmissie, de Afghanen zien de Nederlanders vooral als een bezettingsmacht, het ‘padvinderachtige opbouwwerk’ in een regio die ’s nachts door de Taliban wordt gecontroleerd is ‘nobel bedacht maar volstrekt ongeloofwaardig’, en het is dus een illusie dat daardoor de ‘hearts and minds’ van de bevolking kunnen worden gewonnen. Berlijn wordt in het boek ook direct aangesproken als degene die de toon zette voor het parlementaire debat over het vervolg van de missie in 2007, door in plaats van militair-strategische redenen vooral morele redenen te noemen om te blijven. Het was volgens hem een ‘moreel failliet’ als het welvarende Nederland zou zeggen: ‘ach wat kan ons Afghanistan schelen, het is zo ver weg, laat het maar lopen als daar vrouwen- en mensenrechten worden geschonden’.

Het kwam dus niet als een verrassing dat Berlijn zich heftig tegen dit beeld verzette: Achterhuis’ kwalificaties waren ‘onjuist en kwetsend voor onze mensen’. De hele discussie over een vecht- of opbouwmissie was volgens hem gedateerd: er was altijd sprake van geweest om ‘opbouw mogelijk te maken’, zoals ook bleek uit de realistische ‘Artikel 100-brief’ van de regering uit december 2005. De Nederlandse aanpak in Uruzgan was met zijn 3D-benadering (‘diplomacy, defence, development’) veel genuanceerder. Wij waren niet in Afghanistan om daar de democratie te brengen, zoals de Amerikanen in Irak, maar om op uitdrukkelijk verzoek van de VN het legitieme gezag te helpen stabiliseren. Dus niet om ‘een vierkant ding door een rond gat te rammen’ of ‘alles meteen dood te schieten wat bewoog’, maar ons juist af te vragen wat de bron van het verzet was en elk moment aan te grijpen om de tegenstander te leren begrijpen. Dingen doen dus die soms helemaal niet militair waren, juist om te voorkomen dat meer geweld zou worden gepleegd.

De inzet in Afghanisten was volgens Berlijn dus niet ideologisch gekleurd, maar stoelde op een realistische inschatting van onze verantwoordelijkheid om de mensenrechten en de democratische rechtsorde te beschermen (‘responsibility to protect’). Het was jammer dat dit verhaal zo weinig werd gehoord en dat er in de Nederlandse samenleving nog zoveel onbekendheid was met de inhoud van de Artikel 100-brief. Ook hij werd geïnspireerd door de onverschrokkenheid van Achterhuis’ helden Mandela en Tutu, maar benadrukte dat we voor onze principes moeten blijven strijden, ook als dat vereist dat we in laatste instantie zelf bereid moeten zijn om geweld te gebruiken.

Zowel de filosoof als de soldaat bleken zich dus per saldo te kunnen vinden in de benaming ‘Machiavellistisch idealist’ die door Bas Heijne was gemunt. Bang geworden voor het geweld, omdat het altijd méér is dan een middel, kwam de filosoof daarmee tegemoet aan de soldaat, die geweld als beroep heeft en er juist daarom alle belang bij heeft om de gevolgen ervan ook in zichzelf te kennen en te beheersen.

Deel dit artikel

Wat vond u van dit artikel?

0
0

Boek bij dit artikel

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden