Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Achtergrond

Annegreet van Bergen - Historische intelligentie opent je ogen

Een beetje meer historische intelligentie zou veel mensen goed doen, betoogt Annegreet van Bergen, auteur van Gouden Jaren en Een (ongewone) geschiedenis van doodgewone dingen. Als we ons bewust zijn van hoe we zaken als elektrisch licht of handen wassen voor vanzelfsprekend houden, kijken we realistischer naar het heden.

Annegreet van Bergen | 29 oktober 2019 | 7-10 minuten leestijd

Het leven te vol om het te kunnen begrijpen; te veel steden kennen om er de weg te kunnen vinden; overdonderd worden door te veel indrukken - voor de Amerikaanse diplomaat en historicus George Kennan (1904-2005) was het moderne leven ‘een film met honderden caleidoscopische scènes die aan- en uitflitsen en die weg zijn voordat er tijd is erover na te denken'. Ach, was hij maar vijftig of honderd jaar eerder geboren. Schrijfster Lisa Hallidays (1977) citeerde deze woorden van Kennan met instemming en in een interview met de Volkskrant van 16 maart 2019 verzuchtte ze dat zij soms ook het idee heeft dat ze in de verkeerde tijd, te laat, is geboren.

Het gevoel overweldigd te worden door een overdaad aan prikkels in een razendsnel veranderende, onoverzichtelijke wereld, dát herken ik. Maar het idee dat ik liever honderd tot vijftig jaar eerder zou zijn geboren (in mijn geval ergens tussen 1854 en 1904), heb ik beslist niet.

Wanneer wij dromen van het rustige en overzichtelijke leven van vroeger, of nog liever van ‘een leven in harmonie met de natuur', doen we dat vanuit een comfortabele positie. Wij zijn fris en schoon. Wij hebben het warm. Wij zijn weldoorvoed. Voor ons zijn dat stuk voor stuk doodgewone dingen, want in het rijke Nederland is het een dagelijkse routine om je van top tot teen te wassen, voldoende te eten en je met kleding en/of verwarming tegen vocht en kou te wapenen. Steeds meer (jonge) Nederlanders weten niet beter dan dat dit de gewone gang van zaken is. Maar zetten we een stap opzij en gunnen we onszelf de tijd om terug te blikken in de geschiedenis, dan zien we dat dit alledaagse comfort nog maar sinds kort deel uitmaakt van ieders leven.

Materiële intelligentie

In Het Financieele Dagblad van 15 december 2018 pleitte de Amerikaanse kunsthistoricus Glenn Adamson voor meer materiële intelligentie. Volgens hem weet de moderne mens te weinig van zijn directe omgeving, omdat goederen met steeds grotere snelheden over steeds grotere afstanden worden vervoerd. Daardoor ontbreekt het zicht op de totale productieketen en op de herkomst van materialen en onderdelen. Door deze grote afstand tussen gebruikers en makers zien consumenten niet hoeveel grondstoffen er zijn gebruikt voor hun spullen en onder welke arbeidsomstandigheden die zijn vervaardigd.

Materiële intelligentie betekent in zijn definitie dat je je gaat afvragen hoe en door wie producten worden gemaakt. Volgens hem krijg je daardoor bewondering voor het menselijk vernuft en word je je waarschijnlijk ook meer bewust van van onze plaats in de wereld en leer je meer verantwoordelijkheid te nemen voor je handelen. Lees: natuurlijke hulpbronnen minder uit te putten en zo bij te dragen aan de oplossing van het klimaatprobleem.

Op een vergelijkbare manier pleit ik voor meer historische intelligentie. Daaronder versta ik: je van ogenschijnlijk doodgewone dingen afvragen hoe lang die de mensheid al ter beschikking staan. De afgelopen jaren heb ik geprobeerd dit soort intelligentie te ontwikkelen en te trainen. Daarvan heb ik verslag gedaan in ruim veertig columns in het Historisch Nieuwsblad. Onder de titel Een [ongewone] geschiedenis van doodgewone dingen zijn deze onlangs in boekvorm verschenen.

Elektrisch licht

Zo was ik op een regenachtige zondagmiddag in november op excursie in het jachtslot Sint Hubertus, het door Berlage ontworpen en onlangs grondig gerestaureerde voormalige buitenverblijf van het echtpaar Kröller-Müller op de Hoge Veluwe. Het begon al vroeg te schemeren en 's middags om drie uur waren in de zogeheten rookkamer de lampen al aan. ‘Wat is het hier donker,' merkte een bezoeker op. De gids reageerde amper, maar zei alleen dat de voor de heren bestemde rookkamer donkerder was dan de voor de vrouwen bedoelde theekamer. Ik had verwacht dat ze zou vertellen dat elektrisch licht destijds juist het nieuwste van het nieuwste was. Het jachtslot is in 1920 opgeleverd. Dat het voorzien is van lift, centrale verwarming en elektrisch licht was supermodern. Door in de rookkamer niet één centraal lichtpunt te plaatsen, maar op diverse plekken lampen als sfeerverlichting aan te brengen was Berlage bovendien zijn tijd ver vooruit.

Licht was indertijd een wonder. Journalist M.J. Brusse kwam superlatieven te kort toen hij in 1929 verslag deed van zijn bezoek aan Eindhoven ‘om te zien hoe in dat simpele provinciestadje de groote actie leeft om 't licht te laten schijnen over de donkere aarde.' In Philips' Wonderland schreef hij: ‘Zoodra de lieve Zon ons in donker laat, [...] neemt Philips haar levenwekkende taak aanstonds over en van pool tot pool stralen zijn lampen de duisternis weg. [...] Opeens bedacht ik, dat dit toch iets prachtigs was en grootsch van menschelijk denken en werk.'

Afnemers zoeken

Elektrisch licht is nu doodgewoon, een aansluiting op het elektriciteitsnet eveneens. Maar eind negentiende eeuw moesten de eerste elektriciteitsmaatschappijen hun nut nog bewijzen en waren ze naarstig op zoek naar afnemers. Een zichtbare getuige daarvan is de Schwebebahn, een monorail, in het Duitse Wuppertal: een donkergroene, metershoge ijzeren baan op schuine poten die als een slang mee slingert met de bochten van de rivier de Wupper. De ranke poten, die aan de pijlers van de Eiffeltoren doen denken, staan wijdbeens op de oevers. Daartussenin liggen de rails, boven het water, met aan die rails de wagons van de Schwebebahn, de zweefbaan. De constructie is niet alleen sierlijk, maar ook uiterst robuust: de Schwebebahn is al bijna honderdtwintig jaar oud en wordt, met af en toe wat haperingen, nog dagelijks door 70-duizend mensen gebruikt. Toen ik op een septemberdag in Wuppertal was, zaten er alleen locals in de trein. Die keken op hun smartphone en hadden geen oog voor het verbluffend mooie uitzicht over oevers en stad. Op de hooggelegen (en tegenwoordig met een lift bereikbare) perrons was het eenzelfde drukte als op elke andere tramhalte of metrostation.

Toen ik me in de geschiedenis van de Schwebebahn verdiepte, las ik dat er midden negentiende eeuw langs de oevers van de ‘ijverige rivier de Wupper' een grote industriële bedrijvigheid heerste. In dit innovatieve klimaat barstte het van de uitvinders. Een van hen was Eugen Langen. In zijn fabrieken vervoerde hij materialen en producten in aan rails hangende bakken. Dergelijke systemen wilde hij ook voor personenvervoer gebruiken. Samen met een naar afzetmogelijkheden zoekende elektriciteitsmaatschappij lanceerde Langen in 1889 het plan voor een 13,3 kilometer lange, bovengrondse verkeersader door het dichtbebouwde dal van de Wupper: de Schwebebahn. Ruim vijf jaar kostte het om de stadsbestuurders voor dit plan rijp te maken, ook de bouw vergde nog eens vijf jaar. Maar voorjaar 1901 ging de Schwebebahn in gebruik. Langen zelf heeft dat niet mogen meemaken. Na een feest in 1895 bij de ingebruikname van het Nord-Ostsee-Kanaal (Kielerkanaal, nog steeds het drukst bevaren kanaal van Duitsland) stierf hij op 62-jarige leeftijd aan de gevolgen van een ‘visvergiftiging'.

Hygiëne en gezondheid

Voedselveiligheid, nu doodgewoon, was dat destijds niet. En dat geldt voor veel zaken die te maken hebben met hygiëne en volksgezondheid. Neem difterie, een levensgevaarlijke infectieziekte. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw zijn er talloze jonge kinderen aan bezweken. Ouders die nu weigeren hun kinderen te laten vaccineren tegen onder meer deze besmettelijke ziekte, de zogeheten anti-vaxxers, hebben daar klaarblijkelijk geen benul van. Toch zijn ze selectief in hun ontkenning van wetenschappelijke inzichten. Want zouden zij het goed vinden dat artsen zonder hun handen te wassen hun kind onderzoekt nadat ze eerst andere patiënten hebben onderzocht? Natuurlijk niet. Je wilt toch niet dat je kind door de dokter wordt besmet?

Toch is zoiets jarenlang gebeurd. Begin negentiende eeuw stierf bijna een kwart van de vrouwen die in ziekenhuizen bevielen aan kraamvrouwenkoorts. Dokters dachten dat deze bijna altijd fatale ziekte werd veroorzaakt door miasma's, raadselachtige rottingsstoffen in de lucht. Pas rond 1850 ontdekte Ignaz Semmelweis, een Hongaarse arts, dat dokters zélf de besmettingsbron waren. Zonder hun handen te wassen kwamen jonge dokters uit de snijzaal, waar ze in lijken hadden gesneden om het menselijk lichaam te onderzoeken, gingen naar de kraamafdeling en hielpen daar bij bevallingen. Zo brachten zij infecties over. Semmelweis dacht dat het om ‘lijkstof' ging. Pas later zou Louis Pasteur met zijn bacteriën voor de juiste theoretische onderbouwing zorgen. Toch was het door Semmelweis voorgeschreven middel (handen wassen, met bleekwater!) effectief: de sterfte aan kraamvrouwenkoorts daalde spectaculair. Historische intelligentie zou zeker de anti-vaxxers goed doen en ervoor zorgen dat zij beseffen hoe bijzonder het is dat in Nederland kindersterfte op een historisch laag niveau is beland, onder andere dankzij vaccins tegen die zo vaak dodelijke difterie.

Ook al heb ik soms het gevoel overdonderd te worden door veel te veel prikkels en kost het me moeite mijn innerlijke rust te bewaren, toch zou ik voor geen goud terug willen naar de behalve zware, ook saaie en eentonige tijd dat je 's avonds in alle rust bij het licht van een petroleumlamp aan tafel zat te lezen (als er überhaupt al een boek in huis was en je je ogen na een dag van hard werken nog open kon houden) en daarna in een bedompte bedstee moest gaan slapen. Als je goed nadenkt over hoe ons leven er honderd jaar eerder had uitgezien, besef je pas hoe bijzonder de doodgewone dingen van nu zijn en hoezeer wij daaraan gehecht zijn.

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden