Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Column

Ik zie ik zie wat jij niet ziet

Elke keer als ik Huib Modderkolk, schrijver van Het is oorlog maar niemand die het ziet, ergens voorbij zie komen, lijkt hij zich verder te verstrikken in zijn eigen netten.

Bert Thiel | 5 juni 2020 | 3-5 minuten leestijd

Ook dinsdag 26 mei weer, toen hij bij het praatprogramma ‘Dit is M’ te gast was: Ollongren had gelijk met die Russische bemoeienissen, maar dat kon ze beter niet zeggen, want de info kwam van de AIVD en dat was dus onbewijsbaar, want de AIVD ontkende noch bevestigde ooit iets. En daarop is nu net zijn bestseller, waarvan hij en passant ook nog even een tweede versie aankondigde, grotendeels gebouwd: informatie van (oud-medewerkers van) veiligheidsdiensten die niet te bewijzen valt.

Laat ik het maar ronduit zeggen: ik vind Het is oorlog een irritant boek. Het is slecht geschreven. Het lijdt aan een paar typische journalistieke kwalen. Het is los zand. Het ontbeert bewijs. De titel dekt de lading niet. En ik weet nu even niet wat ik het ergste vind.

De titel is een stelling met twee premissen. ‘Het is oorlog’. En ‘Niemand ziet het’. Je zou verwachten dat hij op zijn minst één van die twee premissen aantoont. Maar dat gebeurt niet. Modderkolk beschrijft voornamelijk het wat en het hoe van allerlei digitale rampspoed: een hack hier, een virus daar, gelardeerd met een veelheid aan voorbeelden die absoluut een gevoel van onrust opwekken bij de lezer. Hij beroept zich daarvoor steevast op onherkenbare getuigen, die de zaken direct noch indirect wilden bevestigen of ontkennen. Het woord ‘oorlog’ valt echter nauwelijks. Nou ja, één keer, als hij minister Bijleveld citeert. En dat is in dit geval nu net geen onpartijdige bron. Maar vooruit, laat ik dit alles genoeg circumstantial evidence vinden om de term oorlog te rechtvaardigen. Maar dat niemand het ziet, is gewoon geleuter. Hijzelf ziet het, Bijleveld ziet het, de AIVD ziet het, en de Russen en de Amerikanen zien, zo krijg je de indruk, niets anders.

Schrijven over veiligheidsdiensten is balanceren op een slap koord. Niemand wil echt praten en dus ontbreken harde feiten en onomstotelijk bewijs. Daardoor doet de auteur een groot beroep op het vertrouwen van zijn lezer. Dat kan en dat mag. Maar dan moet je als schrijver wel duidelijk maken waarom de lezer je op je woord zou moeten geloven. Omdat je een goed mens bent, bijvoorbeeld. Omdat je andere voortreffelijke eigenschappen hebt. Omdat je zielig bent. Ook daar gaat het mis. Ja, hij verwijst naar de vele reportages die hij maakte. Maar dat is als bewijs niet meer dan een vorm van ‘zelf-plagiaat’.

De geloofwaardigheid van het boek leed voor mij ernstig onder de wonderlijke details die Modderkolk aan elke anonieme bron toevoegt om een zekere couleur locale te verkrijgen. Soms zijn die details bovendien volstrekt overbodig. Wat ze aan hebben: ‘in zijn blauwlinnen pak’. Wat mensen consumeren: van suikervrije cola tot borden kipsaté. Waar ze rijden: de A15. Soms gewoon wonderlijke, of ronduit overbodige details: ‘Dat N., afkomstig uit een katholieke familie, instemt heeft een reden.’ Dat katholieke is alleen relevant als dat te maken heeft met de reden van haar instemming, zou je denken. Maar niets van dat al.

Tot zover de ene journalistieke kwaal. De andere is het onvermogen of de onwil om een verhaal gewoon van begin tot eind te vertellen. Dus wordt er volop ‘genieuwsuurd’: straks in deze uitzending, maar nu eerst … Dat vergroot de leesbaarheid bepaald niet. Vooral niet omdat de diverse hoofdstukken op de keper beschouwd behoorlijk los van elkaar staan, even afgezien van de grote onbewijsbare of onbewezen aanname dat de Russen achter alle digitale ellende zitten. Of een jongen uit Barendrecht. En al die losse eindjes knoop je niet samen door een simpel bruggetje.

En dan de stijl. Daar wil ik maar even niet te veel over zeggen. Dat media en data meervoud zijn, is klaarblijkelijk lastig. Mensen denken in de directe rede tussen aanhalingstekens, en soms ook weer niet. Verleden tijd en tegenwoordige tijd worden zelfs in één zin door elkaar gebruikt. De dubbele punt is zijn stijleigen: dan volgt een verklaring. ‘Gouvermenteel’ is zijn versie van ‘gouvernementeel’. Dat dus. En zo verder.

Kent u de kortste recensie van het boek De klop op de deur? Niet opendoen!

Bert Thiel (1961) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde. Hij doceert Nederlands op het Norbertuscollege in Roosendaal.

Deel dit artikel

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden