Op werkdagen voor 23:00 besteld, morgen in huis Gratis verzending vanaf €20

Interview

Nicholas Carr

‘Waarschuwing: het intensief gebruik van internet is schadelijk voor de gezondheid’

De manier waarop wij omgaan met moderne informatietechnologie – hoe we vrijwel continu verbonden zijn met het internet via computers, laptops, smartphones en tablets, en hoe we zo goed als permanent met elkaar in verbinding staan via e-mail, sms, WhatsApp, BlackBerry Messenger, Twitter en Facebook – heeft verregaande invloed op de manier waarop wij denken. Het verandert onze hersenen. En niet alleen als we online zijn, nee, permanent. Vooral diep en geconcentreerd denken, kunnen we niet meer. Dat schrijft Nicholas Carr in Het ondiepe – Hoe onze hersenen omgaan met internet. En, zegt Carr, dat is gevaarlijk. Want als je niet écht kunt denken, kun je geen complexe problemen oplossen en geen originele gedachten formuleren.

Rick Nieman | 29 april 2011 | 12-17 minuten leestijd

Het nieuwe boek van Nicholas Carr, Het ondiepe, bevat een serieuze waarschuwing voor iedereen die in zijn werk afhankelijk is van probleemoplossend vermogen en creativiteit. Dus: reclamemakers, industrieel ontwerpers, softwareontwikkelaars, architecten, wetenschappers, researchers en consultants: opgelet! Of geldt deze boodschap eigenlijk voor ons allemaal?
Nicholas Carr, auteur van het destijds geruchtmakende artikel Is Google making us stupid? weet inmiddels het antwoord op zijn zelfgestelde vraag. Ja. En niet alleen van Google worden we dom, maar van dat hele internet.

Een anekdote. Eind 2008 was ik in Amerika, om voor RTL Nieuws verslag te doen van de presidentsverkiezingen. Het waren zware, stressvolle weken geweest tijdens de voorafgaande campagne, en na de urenlange live-uitzending van Barack Obamas historische zege – die voor ons in New York tot diep in de nacht duurde – was ik gesloopt. Maar tijd om uit te rusten was er niet: ook voor de avonduitzendingen van het RTL Nieuws moesten er weer nieuwe reportages worden gemaakt. Vol verbazing en met nauwverholen bewondering keek ik naar Erik Mouthaan, onze correspondent in de VS. Supergeconcentreerd en gefocust werkte hij de ene taak na de andere af, de absolute chaos om hem heen leek hem niet te raken. ‘Erik, hoe doe jij dat toch?’ vroeg ik hem op een gegeven moment. ‘Oh, heel simpel,’ antwoordde hij. ‘Ik begin ’s ochtends altijd met een uur mediteren. Ik moet wel, anders word ik gek van alles wat iedereen continu van mij wil.’
Meditatie, dacht ik, dat staat zo ver van mij af! Ik zag mezelf al zitten, in kleermakerszit met een wierookstokje en een kopje groene thee… Maar eenmaal thuis bleef ik gefascineerd door Eriks optreden. En dus kocht ik Mediteren voor Dummies, en probeerde het. Wow… de rust, de kalmte, de balans, de focus.

Gewoon oud
Terug naar Carr en Het Ondiepe. Ergens in 2007 merkte Nicholas Carr dat zijn brein anders begon te functioneren. Hij kon zich slecht concentreren en was snel afgeleid. Misschien heb ik het te druk, dacht hij, of word ik gewoon oud. Ik ga al richting de 50…
Maar na verloop van tijd viel hem op dat hij zich permanent gedroeg alsof ‘ie achter de computer zat, terwijl dat niet zo was. ‘Ik was onrustig, had steeds een bepaalde honger in mijn hoofd naar nieuwe informatie. Alsof ik om de tien minuten mijn mail wilde checken, terwijl er geen computer in de buurt was. Stilzitten en een boek lezen lukte niet meer.’ Hij vroeg aan vrienden en kennissen of zij begrepen wat hij bedoelde, en verrassend veel mensen gaven aan zijn ervaring te delen.
Carr, oud-hoofdredacteur van Harvard Business Review, wilde weten of wat hij voelde, ook echt kon kloppen. En dus begon hij aan een serieuze, wetenschappelijk onderbouwde zoektocht. Na eerdere boeken over de invloed van IT op het zakenleven en de manier van zakendoen, wilde hij weten: verandert IT ook óns, de mens?
Natuurlijk weten we allemaal dat het moeilijk is om je op één taak te concentreren als je achter de computer zit. Als het je het geluidje hoort van een binnenkomende mail, wil je toch even kijken wat er is. En als in een vergadering je telefoon gaat, kijk je wie er belt. Dat het hebben van al die apparaten je rust verstoort is eveneens evident, al gaat het soms ver. Recent Amerikaans onderzoek toont aan dat een op de tien kinderen regelmatig wakker wordt door nieuwe smsjes of pingberichtjes op hun mobieltje.

Maar Carr vermoedde dat er meer aan de hand was. En naarmate hij verder zocht, werd zijn gelijk meer bevestigd. Neem de test waarin twee groepen mensen een tekst op de computer over hetzelfde onderwerp moeten lezen. Een groep krijgt alleen de platte tekst, de tweede groep dezelfde tekst maar dan met hyperlinks naar achtergrondartikelen, kaartjes, tabelletjes en video-inserts. Achteraf blijkt dat de groep die alleen de platte tekst las, het meeste weet te vertellen over het onderwerp! Terwijl de tweede groep meer informatie had. Maar, zo blijkt, meer informatie hebben is iets heel anders dan informatie begrijpen en onthouden. Uit neurologisch onderzoek blijkt dat zelfs het zien van een hyperlink in een tekst, je hersenen al een belangrijke, afleidende impuls geeft. Je moet kiezen: klik ik, of klik ik niet? En zelfs dat haalt je al uit de diepere concentratie die nodig is om een tekst goed te begrijpen.

Nieuw gen
‘Ok,’ vraag ik Carr tijdens ons gesprek, ‘maar is dat allemaal zo erg? Misschien onthoud je de informatie minder goed, maar je weet wellicht meer, en je kunt meerdere dingen tegelijk doen! Anno nu moet je toch kunnen multitasken om goed te kunnen functioneren?’ Carr antwoordt: ‘Dat zou je denken, maar dat is niet zo. Uit alle onderzoeken die ik heb gezien, blijkt dat je ieder van de individuele taken die je moet doen minder goed uitvoert als je multitaskt. Het lijkt efficiënt, maar dat is het niet.’
Ok, maar is het dan zo belangrijk dat ik alles wat ik leer, ook zelf onthoud? Ik kan het toch met één druk op de (Google)knop terugvinden? Carr ontkent weer, op dezelfde rustige, bedachtzame toon die tijdens het hele gesprek hanteert. ‘Iets opzoeken is echt iets heel anders dan iets zelf weten. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat je hersenen elke keer fysiek veranderen als je iets onthoudt. Er vindt een ingewikkeld proces plaats waarbij zelfs een nieuw gen wordt gecreëerd voor elke nieuwe langetermijnherinnering.’ In zijn boek beschrijft Carr een eenvoudig proefje waarbij een groep mensen wordt gevraagd tien onzinwoorden uit hun hoofd te leren. Ze krijgen daar een kwartier de tijd voor. De volgende dag blijken ze het gros van de woorden goed te kunnen reproduceren. Een volgend groepje krijgt die woorden ook, maar moet vlak daarna tien gewone woorden leren. Zij kunnen zich de onzinwoorden de volgende dag nauwelijks herinneren. Groep drie moet eerst de onzinwoorden leren, en een paar uur later de gewone woorden. Zij weten de onzinwoorden nog wel. Reden: het kost het brein ongeveer een kwartier om een herinnering of iets wat je geleerd hebt, aan te maken en op te slaan. Doe je binnen dat kwartier ook nog iets anders, dan beklijft het eerste wat je geleerd hebt niet. Het is een belangrijk gegeven zegt Carr, ‘omdat jouw unieke persoonlijkheid wordt gevormd door de ervaringen, gedachtes en herinneringen die je hebt. Ervaringen die je niet op kunt zoeken op Google.’ Alleen als je iets zelf opgeslagen in je hersenen, is het echt onderdeel van jou.
‘Ik denk dat je kunt stellen dat we dreigen onze creativiteit te verliezen.’
Ik stel Carr voor de tweede keer dezelfde vraag. ‘Is dat erg?’ Op de Amerikaanse universiteit waar ik studeerde kenden oudere hoogleraren hele stukken Shakespeare uit hun hoofd. Mijn generatie kan dat niet meer. Maar erg? Carr: ‘Je weet niet wat je hebt verloren als je het nooit hebt gehad. En het hebben van rijke, diepe herinneringen is direct gerelateerd aan het hebben van een rijk, diep intellectueel leven. Mensen die Shakespeare uit hun hoofd kennen zijn niet toevallig vaak wijzere mensen dan mensen die dat niet kunnen.’ En in een mooie zin: ‘It deepens them.’

Verslavingswetenschap
De voornaamste conclusie uit Carrs boek – die wetenschappelijk wordt onderbouwd door het citeren van behoorlijk ingewikkeld neurobiologisch onderzoek – is dat het veelvuldig gebruik van internet de hersenen permanent verandert. Je vertoont na verloop van tijd ook internetgedrag als je niet op internet zit. ‘De hersenen zijn dienstbaar,’ legt Carr uit. ‘Ze vormen zich naar wat je veel doet, want blijkbaar vind je dat belangrijk. Maar ze hebben geen kwaliteitskeurmerk: zij vinden het een niet belangrijker dan het andere. Het gaat puur om welke gewoontes je hebt; daar richten zij zich op in. Het is een bekend gegeven uit de verslavingswetenschap: als je iets veel doet, krijg je er meer behoefte aan.

Het omgekeerde geldt ook: als je bepaalde dingen niet meer doet, verliezen je hersenen daar ook interesse in. Je doet het niet meer, dus blijkbaar vind je het niet belangrijk. Maar als je dan ineens wél probeert een moeilijk boek te lezen, geven je hersenen niet thuis. Use it or lose it, noemen wetenschappers dat.’
Ik werp tegen dat mijn 16-jarige dochter, die toch echt meer multitaskt dan ik, haar 45-jarige vader, ook probleemloos urenlang een boek kan lezen. Carr tovert een van zijn zeer spaarzame glimlachjes op zijn gezicht. ‘Natuurlijk, maar zij is nog jong. Het is voor haar makkelijker om haar hersenen verschillende taken aan te leren. Het goede nieuws is dat onze hersenen ook op latere leeftijd veel flexibeler zijn dan we vroeger dachten, maar voor jou en mij geldt: als we iets niet vaak doen, zullen de hersenen de volgende keer meer moeite hebben met die activiteit.’

Wat zijn, vraag ik Carr, de specifieke gevolgen van wat u beschrijft voor het bedrijfsleven? Carr veert zowaar op. ‘De gevolgen op de lange termijn zijn nog niet duidelijk, omdat dit pas een vrij recent fenomeen is. Maar ik denk dat je kunt stellen dat we dreigen onze creativiteit te verliezen, ons probleemoplossend vermogen, het talent om conceptueel te denken. Ik heb zelfs softwarebedrijven gesproken die grote problemen signaleren onder hun softwareontwikkelaars. Ze zien dat als hun creatieve mensen vast komen te zitten in een denkproces, ze niet in staat zijn dat proces later te hervatten. Want wat gebeurt er? Ze worden afgeleid, en gaan allerlei andere dingen doen.’ Samen filosoferen we over welke beroepsgroepen hier last van kunnen krijgen: de creatieve sector – reclame, industrieel ontwerp, zelfs game-ontwerpers – R&D, wetenschap. Carr knikt en voegt dan toe: ‘maar eigenlijk geldt het voor ons allemaal. Wij willen toch allemaal intellectueel ingewikkelde, conceptueel complexe problemen op kunnen lossen?’

Machine
Het gesprek is meer dan drie kwartier oud als ik voor het eerst Google noem. Carr is direct alert. ‘U bent geen vriend van Google, hè?’ ‘Luister,’ antwoordt hij, ‘Google is natuurlijk geweldig. Ik gebruik het dagelijks. Maar Google is wel een mooi voorbeeld om aan te geven wat de gevaren zijn waarop ik wijs. Kijk, Google benadert het brein als een machine die problemen op moet lossen. En, betoogt Google, als wij een computer kunnen bouwen die sterk genoeg is, met heel slimme algoritmen, dan kunnen we een computer bouwen die net zo slim is als het menselijk brein. Maar,’ gaat Carr door, ‘dat is onzin. Want waar is Google goed in? In het snel vinden van het antwoord op een heldere, duidelijk afgebakende vraag. Vooral het antwoord op vragen die al eerder zijn gesteld, want hoe vaker een vraag is gesteld, hoe makkelijker het voor Google is om links met het goede antwoord te vinden. Maar bij creativiteit gaat het juist om het bedenken van dingen en oplossingen die nog niemand anders heeft bedacht! Om tegen het algemeen aanvaarde antwoord – het ‘Google’antwoord – in te gaan.’
(Een paar dagen na mijn gesprek met Carr lees ik in de New York Times over de volgende stap in Googles onstuitbare opmars. Bij het intikken van sommige vragen krijg je nu van Google direct het antwoord, in plaats van links met het antwoord. Je hoeft het antwoord dus niet eens meer op een link zelf op te zoeken, en af te wegen of dit is wat je zocht en of het wel klopt. Het voorbeeld dat de Times gaf: How high is the Eiffel tower? Intikken op Google.com voor het directe antwoord.)

‘Ja maar je kunt je computer – of je telefoon, of je iPad – toch gewoon uitzetten?’ zeg ik tegen Carr. ‘Was het maar zo simpel,’ zegt hij. ‘Het is maatschappelijk bijna niet meer aanvaardbaar om dat te doen. Je kunt wel tegen jezelf zeggen: ik zet mijn e-mail een week uit, maar hoe denk je dat je collega’s daarop reageren? Ook sociaal gezien kan dat niet meer: als iedereen op Facebook zit en jij niet, isoleer je jezelf. Dat geldt nog eens extra voor jongeren, voor wie verbonden zijn met hun leeftijdsgenoten nog veel belangrijker is dan voor ouderen. Vooral pubers ontlenen aan het contact met hun leeftijdsgenoten een groot deel van hun persoonlijkheid, dus niet connected zijn is voor hen geen optie. Voorbeeld: veel jongeren zetten een uitnodiging voor een feest of een andere sociale activiteit alleen nog maar op Facebook. Dus als je dat niet hebt, zul je ook niet op dat feest terechtkomen.’
Carr gaat door. ‘Het probleem waarover ik het heb wordt steeds meer onderkend: er is zelfs al software ontwikkeld die je helpt om even niet met iedereen in contact te zijn. Programma’s als ‘Freedom’ loggen je voor een bepaalde periode uit van internet en ‘Anti-Social’ zet Twitter en Facebook uit.’ Een klein glimlachje weer: ‘Ironisch dat je software nodig hebt om je te beschermen tegen internet en de computer.’

Distraction technology
‘Tot slot,’ zeg ik, ‘ik deel uw bezorgdheid, maar waarschuwen voor de negatieve gevolgen van nieuwe technologie is niet nieuw. Mijn moeder waarschuwde me voor de verderfelijke invloed van tv, en in uw boek lees ik zelfs dat Socrates waarschuwde voor de negatieve invloed van het alfabet en het boek! ‘Nu zullen mensen niets meer kunnen onthouden’, zei hij.’ ‘Dat is ook zo,’ zegt Carr, ‘maar er zijn twee verschillen. Internet is nog verleidelijker dan radio of tv, ook door die sociale functie. Internet is a very powerful distraction technology. En ook belangrijk: radio en tv hadden geen tekstfunctie. Als je wilde lezen, moest je een krant of een boek pakken. Maar nu kun je ook lezen op internet. Alleen, zoals we al bespraken, is dat een ander soort lezen dan het ‘diepe’ lezen dat we vroeger kenden, waarbij je uren in stilte op de bank zat met een boek.’

Carrs boodschap is serieus en mogelijk zelfs angstaanjagend. Na de vernietigende invloed van tv in sommige milieus (denk aan kansarme kinderen in de Amerikaanse onderklasse, die urenlang voor de tv worden geparkeerd met een zak chips en een fles cola, en op hun tiende al suikerziekte hebben omdat ze veel te dik zijn), is het nu internet dat ons ‘menszijn’ aantast. Maar gelukkig, schrijft de Deense neurobioloog en journalist Lone Frank in haar boek De vijfde revolutie – omdat hersenwetenschap de wereld gaat veranderen, toont de recente hersenwetenschap aan dat je hersenen inderdaad kneedbaar zijn. Precies zoals Carr betoogt dat de gewoonte van internetgebruik je hersenen verandert, betoogt Frank dat structurele meditatie de hersenen ook verandert. Uit onderzoeken blijkt dat de hersenen van mensen die zes weken dagelijks mediteren, al fysieke veranderingen vertonen.
En om terug te komen bij het begin van dit artikel: mediteren hoeft niet per se met groene thee en wierook, het kan ook zonder. Je hoeft zelfs helemaal niet te mediteren: elke activiteit die je vaak onderneemt en die zorgt voor rust, balans, reflectie en (ja!) geluk, zal zich nestelen in je brein en je hersenen zullen zich daarnaar vormen. Zo citeert Carr meerdere onderzoeken waaruit blijkt dat zelfs een kortstondig verblijf in de natuur, de hersenen positief beïnvloedt.

Dus: uit die computer, uit die telefoon, pak een boek, maak een boswandeling, ga hardlopen, schilderen, musiceren of met een glas rode wijn in het hardvuur staren en mijmeren. En als collega’s of familieleden je dan achteraf vragen waar je in vredesnaam was, zeg je: ‘Even een momentje voor mezelf genomen.’ Het is wetenschappelijk verantwoord!

Over Rick Nieman

Rick Nieman (1965) vertrok op 17-jarige leeftijd naar de Verenigde Staten om journalistiek te studeren. Later deed hij aan de University of Southern California in Los Angeles een studie Internationale Betrekkingen. Hij begon zijn carrière in Londen bij CNN als financieel verslaggever. Sinds 1996 presenteert hij het RTL Nieuws.

Deel dit artikel

Wat vond u van dit artikel?

0
0

Boek bij dit artikel

Populaire producten

    Personen

      Trefwoorden